Wat kan er nou leeg en vol tegelijk zijn. Symbool voor het niets én voor het alles. Voor sport en voor zonnen. Voor zitten en voor liggen. Geschikt voor een picknickmand en voor een spannend boek. Voor het badmintonnen nu én voor het plastic zwembadje van straks. Wat zit er vol met leven en laat alle ruimte om te leven. Wat kriebelt zacht aan de voeten en steekt men tussen de tanden. Wat geeft voldoening als men het heeft gemaaid en wordt door het maaien alsmaar mooier. Juist het gras, het gazon.
Een boom erin zorgt voor spanning. Indien juist geplaatst, ook vanuit het huis gezien, zal een boom de ruimte laten leven, zichtbaar maken. Zoiets kun je niet op voorhand tekenen, maar moet je ter plekke zoeken door te schuiven en te verzetten. Een beetje meer naar links, een beetje naar voor, nee, toch wat meer naar rechts. Zoals de decorontwerper van het Engelse toneel, Lancelot ‘Capability’ Brown (1716-1783) die later een wereldberoemd tuin- en landschapsarchitect werd in de tijd van de Engelse landschapsstijl. Hij liet tientallen tuinlieden gewoon met volwassen bomen rondslepen tot hij vond dat ze goed stonden en riep: ‘Ingraven!’.
Een ‘grasveldmetboomtuin’ dus.
 
 

 

 

 

Met zijn tweekleurig behaard blad en zijn trosjes bloemen van roze en blauw en lila, bezit het longkruid, oftewel Pulmonaria, een aparte schoonheid. Wij moeten ons vooroverbuigen om ervan te kunnen genieten. Het is een bosplant en misschien daardoor wat minder bekend, maar eigenlijk mag hij in geen enkele tuin ontbreken. Al was het niet voor zijn schoonheid, dan wel voor het gemak waarmee men de Pulmonaria kan onderhouden. Door namelijk helemaal niets te doen. Als de bloei voorbij is, gewoon alles afknippen en hij groeit opnieuw. Hij begint weer van voren af aan te bloeien dat het een lust is. Ook als er meeldauw in de plant verschijnt, bijvoorbeeld door droogte, gewoon alles afknippen. Let op de schaduwplaats, staat in elke plantengids vermeld. In mijn tuintje staat ie in volle zon en ik kan u garanderen dat het een pracht is en dat ie het zeer naar de zin heeft, ook in de volle kleigrond.
Pulmo betekent long. Deze naam kreeg de plant omdat de bladeren met hun witte vlekken aan longen doen denken. Longkruid wordt vaak aangehaald als voorbeeld van de signatuurleer die in de 16e eeuw en ook daarna het medisch denken in Europa domineerde. Deze leer stelde dat het gebruik van de plant door zijn uiterlijk werd aangegeven en zo werd longkruid voorgeschreven bij ziektes van de longen.
 
 
Beste lezers
 
er zijn veel communicatiemiddelen op dit moment en men kan niet alles tegelijk bespelen.
Voorlopig kiezen we voor Facebook als connectie.
Volg ons daar, we proberen daar sinds enige tijd elke dag met een gedachte te verschijnen.
 
Hartelijke groeten Michel Lafaille
Mooie vraag om aan een klas pubers te stellen. Ja jij meisje, welke boom zou jij willen zijn? Een lindeboom, ja, die zijn mooi. Een beetje treurig, maar dat mag. Je tovert mensen beter met je kruidige thee en je zoete geuren in de zomeravond.
En jij jongeman? Een taxus nog wel! Dan heb je nog tweeduizend jaar te leven en kun je veel wijsheid verzamelen. Word je nog slimmer dan de eiken en die zijn al zo slim.
Een beuk? Nee, niet de beuken, die doen maar alsof. Want die verzamelen niet zoveel, die geven alles weg. Zoals de kastanjes, ook niet zo’n slimme bomen. Beetje vaag, beetje snob. Ah, wat hoor ik daar achterin de klas? Een ceder? Ja dat is wel wat nietwaar. Die hebben ouderdom en wijsheid bij elkaar. Ze zijn wat droevig maar tegelijk ook blij, ze houden van de Middellandse zee-zon, van de stoffige zomeravonden en van de zware sneeuwval die ze makkelijk op hun takken kunnen dragen. Dus alle tegenslagen zul je overwinnen. Oh de meidoorn hoor ik daar ook. Dat is heel wat anders, die springt door het leven en vergeet alle zorgen. Dat is vriend. Iets uit de Franse literatuur.
Zo niet de es die jij daar kiest, die is wat traag en stug, die wil niet zo, heeft moeite met alles en iedereen. Last van verandering.
Zo had ik best een uurtje hebben kletsen met de klas, maar ze waren al bij de fietsen.
Wie staat er ons zo te verleiden in de tuin, ja soms wel eens onverwachts in een bos? Het is de Galanthus nivalis, het sneeuwklokje in het Nederlands. Eigenlijk heet de plant het gewoon sneeuwklokje, maar dat zegt geen mens. Dit is toch niet gewoon? Als dit gewoon is, wat zou bijzonder dan wel niet zijn. Juist, die bestaat niet en als bijzonder niet bestaat moet gewoon ook niet bestaan.
Want is het sneeuwklokje al niet heel speciaal? Zoals het daar staat, broos en teer, met het bloemhoofdje verlegen omlaag, als een schuchter elfje? Misschien durven ze zich wel te laten zien omdat ze altijd met zovelen zijn, nooit alleen. En maken ze ons niet blij vanbinnen, blij van zoveel schoonheid en betovering?
Hun naam alleen al staat voor pure toverkracht. Galanthus, dat hoeft geen betoog. Nivalis, hetgeen in het Latijn sneeuw of sneeuwachtig betekent. Want daar heb ik ze al wel eens gezien, tussen de sneeuwvlokken omhoog groeiend naar het eerste zonnelicht. Nivalis, als de naam van een wonder, van een keizerin, die staat te bloeien op de donkerste dagen.
Met vanuit haar tedere schoonheid een alomvattend dédain voor de overheersing van de winter. Want geen kracht is zo opgewassen tegen die verwoestende kou, dan deze tedere plant. Behalve de zon, dat is waar, maar dan trekt ook het sneeuwklokje zich terug.
Terwijl ik u deze woorden schrijf, klinkt er zachte muziek uit mijn computer. Het is een radiostation uit New York en tussendoor spreekt een diepe mannenstem over dingen die daar plaatsvinden. Het is er vier graden en bewolkt boven Central Park. Ik hoor dat er werkzaamheden zijn in een bepaald metrostation in de stad, dat er nog tickets zijn voor een concertvoorstelling van het New York Philharmonic vanavond in het Lincoln Center. Ik weet nu dingen die op acht uur vliegen van mijn schrijftafel plaatsvinden. Ik weet meer van zaken en van mensen dan van andere die vlak bij mij plaats vinden. New York is dichterbij dan drie straten verderop. Dat is wel een van de meest bizarre fenomenen van onze beschaving, dat je fysiek zo dicht bij elkaar bent maar geestelijk zo ver van elkaar verwijderd blijft. Dus terwijl ik naar de radio uit New York luister, ben ik aan het werken aan een ontwerp voor twee aangrenzende tuinen, waarvan de opdrachtgever als eerste eis aan mij meegaf: wij hebben niets met de buren te maken.
Wil de ware tuinontwerper opstaan? In principe kan iedereen een ontwerp maken. Maar stratenmakers zullen waarschijnlijk meer verstand hebben van verband en afschot dan van de ruimtelijke indeling. Hoveniers zijn meesters in de aanleg van een tuin of in het vinden van de juiste materialen. Veel uitvoerders bieden aan om een ontwerp te maken, maar meestal zijn dat slechts vertalingen van geijkte patronen. Ze vragen wat u allemaal wilt en tekenen dat naast elkaar op een papiertje: het terras, de vijver, de border en het gazon worden gerangschikt en gepast binnen de ruimte en …ziedaar het ontwerp.
Echte ontwerpers zijn mensen die er juist hun beroep van gemaakt hebben om het totale pakket van de drie peilers (de plek, het budget en uw programma) tegelijk aan te pakken en om te zetten in een tuin of buitenruimte die niet alleen alle punten ervan omvat maar door een juiste vormgeving ook nog eens een meerwaarde toevoegt in de vorm van de gestaltung. De gestaltung is een prachtig mooi woord, hetgeen betekent dat de dingen in hun samenhang meer schoonheid of betekenis krijgen dan de dingen afzonderlijk kunnen weergeven. Twee en twee is dus niet vier maar vijf of zelfs nog meer dan vijf. In een goed ontwerp zal dus de verzameling van de verschillende functies zoals het terras, de vijver of het grasveld plus de bomen, struiken en planten een totaal opleveren waarvan de waarde uitstijgt boven de materiële waarde. Zo ontstaat de magie van de plek. Uw tuin dus.
In het thema ‘Gevangen’ van het Tuinenfestival Appeltern, koos ontwerpster Laura Knoops voor het gevoel ‘schaamte’. De Dikke Van Dale zegt over schaamte: Het onbehagen, dat iemand vervult bij het gezien, bekend of openbaar worden van dingen aan hem, handelingen van hem of toestanden om hem die met de eerbaarheid, het fatsoen of de zedelijkheid in strijd zijn, of die hem verachtelijk doen schijnen bij anderen. Zo, die zit. Herkennen we dat niet allemaal? En is het niet juist daardoor goed gekozen van de ontwerpster om veel mensen aan te spreken.
Het ontwerp van Laura Knoops toont een gebouwtje in een kleine tuin. Vanaf het wandelpad waar wij lopen, zien we het staan, geopend aan onze kant. We staan in het zonlicht op het pad en kijken de donkerte van het bouwsel binnen, welke wordt versterkt door de zwart geschilderde balken waar het uit bestaat. Van het licht naar het donker dus. Beweging nr. 1 in het perspectief.
Maar de achterkant van die schuilplek, van die abri, heeft grote spleten tussen de planken muur. Als openingen waar men doorheen kan kijken. Daardoor valt het licht naar binnen, de donkerte in, die planken muur doorbrekend. Er is dus licht achter de donkerte. We hebben de neiging naar de wereld daarachter te kijken, door die kieren te zoeken wat daar is, door die tralies waar onze blik eerst in gevangen zat te hopen op iets beters. Dat is beweging nr. 2 in het perspectief. De schaamte valt als een donkerte op ons, lijkt Laura te zeggen, maar daarachter zit het licht van de bevrijding.
Het ontwerp laat ons als voorbijganger stil staan en even kijken.
Maakt ons als kijker bewust van de plek waar we staan, kijkend naar het donker, waarachter het licht hangt. Een geraffineerd spel. Dat geeft een gevoel van plaats, van essentieel belang in een tuinontwerp.
Twee belangrijke tuinelementen die weinig aandacht krijgen in de ontwerpkunde: de haag en het hekwerk. Ze lijken eerder een noodzakelijk kwaad dan dat ze essentieel iets bijdrage aan het ontwerp. Toch is dat een vergissing. De haag is immers de ruimtevormer bij uitstek. Een haag mag niet overheersen maar dient juist heel subtiel de ruimte in te delen en vervolgens als groene muur de achtergrond te vormen voor hetgeen er voor geplaatst wordt. Is dat enkel een strak gazon, dan ontstaat een ruimtelijke tuinkamer geschikt om te voetballen of te spelen. Het kan ook een rijke bloemenborder zijn die door de haag omkaderd wordt en daardoor beschutting krijgt tegen de wind waardoor ook fragielere planten kunnen opgroeien. Soms is een enkele haag, op de juiste plaats in de tuin gezet al voldoende om het geheel meer leven en spanning te geven. Een terras enkel aan twee kanten omgeven door een haag waarachter men ongezien kan zitten (ongeveer 1,4 meter hoogte is voldoende). Juist, men zit in een andere kamer en voelt zich echt in de tuin, weg van het huis.
En het hekwerk dan. Het visitekaartje waar iedereen door naar binnen moet. Dat is niet slechts een gesloten deur, neen, dat vertelt al iets van de bewoners of van wat er daarachter te wachten staat,
Haag en hek zijn meer dan louter tuinelementen, het zijn uitdrukkingen.
Het is eigenaardig dat wij allemaal hetzelfde soort verlangen hebben, een verlangen om de tijd stil te kunnen zetten, alle beweging te verstillen en te blijven bestaan in het moment dat op dat specifieke ogenblik bestaat en dat wij geluk noemen. Geluk is dan een vereeuwiging van het nu. Tegelijkertijd is dat een zware belasting en een zware opgave voor de tuin. Want wij willen volgende week weer datzelfde moment terug beleven en denken dat te kunnen door simpelweg in onze tuin te gaan zitten. Net zoals we terugreizen naar dat vakantieoord waar we het vorig jaar zo geweldig hadden, moet dat nu ook maar eventjes gebeuren in de tuin. Dat valt dan wel eens tegen. Het regent nu al vier dagen in dat vakantieoord en naast het hotel zijn ze aan het bouwen, de hele dag ratelen boormachines en draaien betonmolens. Er is een muggenplaag. De zonnebrandcrème was kwijt en daardoor waren we net te laat met smeren. Er is zojuist een bus met luidruchtige inwoners uit ons eigen land gearriveerd in het hotel.
Laat dat dan de les zijn van al deze beschouwingen: net zoals een vakantiebestemming is de tuin slechts de mogelijkheid tot een gelukkig moment, niet de garantie.
Het is de tijd van Kerstmis die ons ieder jaar opnieuw doet terugkijken en mijmeren over gebeurtenissen en handelingen van de voorbije twaalf maanden. Goed of slecht, in elk geval onomkeerbaar. Het lijkt of kerst als een scharnier werkt in de tijd, meer nog dan oudejaar of de eerste dag van het nieuwe jaar.
Kerst is ook symbool voor het einde van de reis, in elk geval voor deze etappe ervan. Een rustperiode in de nacht, met de eenvoudige symboliek van een stal en de geboorte van een kindje. Dat is tegelijkertijd het mysterie van kerst, dat er een moment is waarop het allerkleinste en het allergrootste met elkaar in verbinding komen, geopenbaard worden of kenbaar worden. Een nieuw leven en de vrede op aarde.
Een eenvoudig en breekbaar moment omdat het zo puur en kwetsbaar is. De inhoud ervan is grootser dan met woorden uitgedrukt kan worden. De boom en de kaarsen, het licht, de cadeautjes die men elkaar geeft, het samen eten. Hoe eenvoudig, hoe waarachtiger.
Ik wens u een mooie en zinvolle kerstperiode toe en schrijf u over een paar daagjes weer verder.
In Parijs vond ik in een boekenwinkel, die gespecialiseerd is in tuinen en de tuinarchitectuur, een kleine uitgave getiteld Arbres (bomen) met gedichten van Jacques Prévert. U kent hem vast van het chanson Les feuilles mortes (herfstbladeren), in het Engels gezongen als Autumn leaves.
In dat lied zingt de nog steeds verliefde man dat hij zijn geliefde zo graag terug zou zien. Hij denkt aan haar want net zoals de dode bladeren die op een hoopje worden verzameld, zo verzamelen zich in zijn hoofd de herinneringen en daarmee de spijt.
U voelt al waar het naartoe gaat, want dan zetten de violen in en komt het refrein: Mais la vie sépare ceux qui s'aiment / Tout doucement, sans faire de bruit (maar het leven scheidt hen die liefhebben, heel zachtjes, zonder het minste geluid).
Tja, dat is huilen, telkens opnieuw.
Heerlijk zulk een boekje, met poëtische kronkelingen over het leven van de bomen en het verschil met het leven van de mensen.
Dat boekenwinkeltje ligt trouwens bij de hoofdingang van de Tuilleries, het park tegenover het Louvre Museum, aan de kant van Place de la Concorde en heet vanzelfsprekend Le Nôtre, naar de beroemde Franse architect die, naast Versailles, ook dit park ontwierp.
Als ik in een bos wandel dan word ik begroet door andere wandelaars en ik groet ze terug. Toch zijn wij wildvreemden voor elkaar. Ik ken die mensen niet, weet hun naam of adres niet. Wel zijn wij deelgenoten. We hebben samen deel aan iets, in dit geval de boswandeling. Honderd meter verder, op de parkeerplaats, groeten zij niet meer en ik ook niet. Als ik het toch deed, zouden ze denken dat ik een beetje raar was. Met andere woorden: vanaf het moment dat we het bos verlaten, zijn we geen deelgenoten meer. Als iemand mij groet in een drukke winkelstraat in de stad dan knik ik vriendelijk terug en denk: Waar ken ik die toch van? We zijn immers geen deelgenoten, we bevinden ons niet in een bepaalde of niet alledaagse situatie (zoals de boswandeling) en dus ga ik er automatisch van uit dat een persoon die groet een bekende is. Ander zou hij mij niet groeten. Een stad is geen plaats waar vreemden elkaar spontaan groeten.
 
Die verbondenheid tussen mensen is een eigenaardig iets. Zit ik op een vliegreis vanuit een verre streek terug naar huis naast een wildvreemde meneer of mevrouw dan weet ik na een uur of twee de meest intieme details uit hun privéleven. Maar eenmaal na landing bij de bagageband aangekomen draaien we ons allebei om en kennen elkaar niet meer. Het is een fijnzinnig spel. Wanneer wel en wanneer niet? Er is geen kennis over in omloop om het te kunnen leren. Het lijkt wel een aangeboren kunst die iedereen beheerst. In de sauna doe je het wel, in de lift doe je het niet. Bij de bushalte doe je het niet maar in de wachtzaal van de dokter doe je het weer wel. In de bibliotheek doe je het niet, maar bij de bakker moet het wel. Bij de pornoshop zeg je niets, maar bij de tandarts wel. Bij het tankstation niet, bij de patatzaak wel.
Een visser groet je niet, een jager wel. Een wandelaar wel, een skiër niet. Een zwemmer ook niet, een fietser evenmin. Een schipper die groet altijd en een padvinder ook. Onder parachutisten wordt niet gegroet, wel gezwaaid.
Wij noemen hem in onze gewone mensentaal de solitair. Een boom die alleen staat in het landschap. Een solitair.
Een woord dat net iets langzamer en nadrukkelijker wordt uitgesproken dan gewoonlijk. Meestal staat het woord aan het einde van een zin, nooit vooraan en zeker niet middenin. Men zegt niet: een solitair is een sterke boom. Men zegt: het zijn sterke bomen die solitairen. Is het uit bewondering? Is het uit ontzag? Waarschijnlijk, want onze hoogachting is groot voor alles en voor allen die alleenstaand op de wereld kunnen bestaan. Alleen, maar nooit in eenzaamheid. Dus wel solitair maar nooit in solitude.
Hij stáát daar niet alleen in het landschap, de solitaire boom, hij bepáált het hele landschap rondom hem. In het Duits noemt men dat zo mooi een Raumbilder. Een woord dat moeilijk te vertalen is, zoals met meer Duitse woorden. Die woorden bestonden al lang voor wij mensen op de aarde verschenen. Gestaltungsmittel is ook zo een woord. De boom als Gestaltungsmittel, de boom als Raumbilder. U snapt het meteen. Als u het niet snapt is dat waarschijnlijk omdat u het niet wilt snappen en dan hoeft het dus ook niet te worden vertaald. Dan moet u ook niet afreizen naar het land met bomen als Raumbilder. Waar de aarde vruchtbaar is, waar de aarde glooiend onder de hemel ligt. Want daar, op die uitgestrekte akkerlanden, staan de solitairen als ridders op hun eigen grond. Ze zwijgen, maar niet omdat ze niet kunnen spreken. Ze zwijgen omdat alleen al hun aanwezigheid in het landschap zoveel vertelt. Omdat hun bestaan op die akkers verwijst naar het mensenleven. Een mooier symboliek van is ons mensen niet zo vaak gegeven.
Soms heb je zo een tuin, die niet wil. Die stug is, zich niet wil laten vormen, probeert te ontsnappen. In het begin, toen ik nog maar kort tuinen ontwierp beet ik me daar dan in vast, bleef doorontwerpen tot het potlood me uit de hand viel en alle schetsrollen op waren. Het resultaat was nooit bevredigend, altijd geforceerd, doorgedrukt.
Die tuin vraagt dan enkel wat meer aandacht, wat rust. Er zit meestal een probleem in dat zich in het begin niet zo direct laat zien maar pas mettertijd te voorschijn komt. Eens dat gezien, is het kinderspel om het te erkennen en te verwerken in de tekening.
Zo had ik er vandaag weer eentje waar ik al een tijdje mee rondliep. Te kleine maat, verkeerde verhouding, alles te dicht opeen, krap, nijpend. Uiteindelijk heb ik er een brede pergola in gezet die alles bij elkaar greep en opeens de baas werd, zodat alles braaf luisterde en ondergeschikt bleef. Eenvoudig. Als je het maar ziet.
(Ik zal toch beter slapen vanavond)