In het thema ‘Gevangen’ van het Tuinenfestival Appeltern, koos ontwerpster Laura Knoops voor het gevoel ‘schaamte’. De Dikke Van Dale zegt over schaamte: Het onbehagen, dat iemand vervult bij het gezien, bekend of openbaar worden van dingen aan hem, handelingen van hem of toestanden om hem die met de eerbaarheid, het fatsoen of de zedelijkheid in strijd zijn, of die hem verachtelijk doen schijnen bij anderen. Zo, die zit. Herkennen we dat niet allemaal? En is het niet juist daardoor goed gekozen van de ontwerpster om veel mensen aan te spreken.
Het ontwerp van Laura Knoops toont een gebouwtje in een kleine tuin. Vanaf het wandelpad waar wij lopen, zien we het staan, geopend aan onze kant. We staan in het zonlicht op het pad en kijken de donkerte van het bouwsel binnen, welke wordt versterkt door de zwart geschilderde balken waar het uit bestaat. Van het licht naar het donker dus. Beweging nr. 1 in het perspectief.
Maar de achterkant van die schuilplek, van die abri, heeft grote spleten tussen de planken muur. Als openingen waar men doorheen kan kijken. Daardoor valt het licht naar binnen, de donkerte in, die planken muur doorbrekend. Er is dus licht achter de donkerte. We hebben de neiging naar de wereld daarachter te kijken, door die kieren te zoeken wat daar is, door die tralies waar onze blik eerst in gevangen zat te hopen op iets beters. Dat is beweging nr. 2 in het perspectief. De schaamte valt als een donkerte op ons, lijkt Laura te zeggen, maar daarachter zit het licht van de bevrijding.
Het ontwerp laat ons als voorbijganger stil staan en even kijken.
Maakt ons als kijker bewust van de plek waar we staan, kijkend naar het donker, waarachter het licht hangt. Een geraffineerd spel. Dat geeft een gevoel van plaats, van essentieel belang in een tuinontwerp.
 
Twee belangrijke tuinelementen die weinig aandacht krijgen in de ontwerpkunde: de haag en het hekwerk. Ze lijken eerder een noodzakelijk kwaad dan dat ze essentieel iets bijdrage aan het ontwerp. Toch is dat een vergissing. De haag is immers de ruimtevormer bij uitstek. Een haag mag niet overheersen maar dient juist heel subtiel de ruimte in te delen en vervolgens als groene muur de achtergrond te vormen voor hetgeen er voor geplaatst wordt. Is dat enkel een strak gazon, dan ontstaat een ruimtelijke tuinkamer geschikt om te voetballen of te spelen. Het kan ook een rijke bloemenborder zijn die door de haag omkaderd wordt en daardoor beschutting krijgt tegen de wind waardoor ook fragielere planten kunnen opgroeien. Soms is een enkele haag, op de juiste plaats in de tuin gezet al voldoende om het geheel meer leven en spanning te geven. Een terras enkel aan twee kanten omgeven door een haag waarachter men ongezien kan zitten (ongeveer 1,4 meter hoogte is voldoende). Juist, men zit in een andere kamer en voelt zich echt in de tuin, weg van het huis.
En het hekwerk dan. Het visitekaartje waar iedereen door naar binnen moet. Dat is niet slechts een gesloten deur, neen, dat vertelt al iets van de bewoners of van wat er daarachter te wachten staat,
Haag en hek zijn meer dan louter tuinelementen, het zijn uitdrukkingen.
 
 
Het is eigenaardig dat wij allemaal hetzelfde soort verlangen hebben, een verlangen om de tijd stil te kunnen zetten, alle beweging te verstillen en te blijven bestaan in het moment dat op dat specifieke ogenblik bestaat en dat wij geluk noemen. Geluk is dan een vereeuwiging van het nu. Tegelijkertijd is dat een zware belasting en een zware opgave voor de tuin. Want wij willen volgende week weer datzelfde moment terug beleven en denken dat te kunnen door simpelweg in onze tuin te gaan zitten. Net zoals we terugreizen naar dat vakantieoord waar we het vorig jaar zo geweldig hadden, moet dat nu ook maar eventjes gebeuren in de tuin. Dat valt dan wel eens tegen. Het regent nu al vier dagen in dat vakantieoord en naast het hotel zijn ze aan het bouwen, de hele dag ratelen boormachines en draaien betonmolens. Er is een muggenplaag. De zonnebrandcrème was kwijt en daardoor waren we net te laat met smeren. Er is zojuist een bus met luidruchtige inwoners uit ons eigen land gearriveerd in het hotel.
Laat dat dan de les zijn van al deze beschouwingen: net zoals een vakantiebestemming is de tuin slechts de mogelijkheid tot een gelukkig moment, niet de garantie.
 
 
Het is de tijd van Kerstmis die ons ieder jaar opnieuw doet terugkijken en mijmeren over gebeurtenissen en handelingen van de voorbije twaalf maanden. Goed of slecht, in elk geval onomkeerbaar. Het lijkt of kerst als een scharnier werkt in de tijd, meer nog dan oudejaar of de eerste dag van het nieuwe jaar.
Kerst is ook symbool voor het einde van de reis, in elk geval voor deze etappe ervan. Een rustperiode in de nacht, met de eenvoudige symboliek van een stal en de geboorte van een kindje. Dat is tegelijkertijd het mysterie van kerst, dat er een moment is waarop het allerkleinste en het allergrootste met elkaar in verbinding komen, geopenbaard worden of kenbaar worden. Een nieuw leven en de vrede op aarde.
Een eenvoudig en breekbaar moment omdat het zo puur en kwetsbaar is. De inhoud ervan is grootser dan met woorden uitgedrukt kan worden. De boom en de kaarsen, het licht, de cadeautjes die men elkaar geeft, het samen eten. Hoe eenvoudig, hoe waarachtiger.
Ik wens u een mooie en zinvolle kerstperiode toe en schrijf u over een paar daagjes weer verder.
In Parijs vond ik in een boekenwinkel, die gespecialiseerd is in tuinen en de tuinarchitectuur, een kleine uitgave getiteld Arbres (bomen) met gedichten van Jacques Prévert. U kent hem vast van het chanson Les feuilles mortes (herfstbladeren), in het Engels gezongen als Autumn leaves.
In dat lied zingt de nog steeds verliefde man dat hij zijn geliefde zo graag terug zou zien. Hij denkt aan haar want net zoals de dode bladeren die op een hoopje worden verzameld, zo verzamelen zich in zijn hoofd de herinneringen en daarmee de spijt.
U voelt al waar het naartoe gaat, want dan zetten de violen in en komt het refrein: Mais la vie sépare ceux qui s'aiment / Tout doucement, sans faire de bruit (maar het leven scheidt hen die liefhebben, heel zachtjes, zonder het minste geluid).
Tja, dat is huilen, telkens opnieuw.
Heerlijk zulk een boekje, met poëtische kronkelingen over het leven van de bomen en het verschil met het leven van de mensen.
Dat boekenwinkeltje ligt trouwens bij de hoofdingang van de Tuilleries, het park tegenover het Louvre Museum, aan de kant van Place de la Concorde en heet vanzelfsprekend Le Nôtre, naar de beroemde Franse architect die, naast Versailles, ook dit park ontwierp.
Als ik in een bos wandel dan word ik begroet door andere wandelaars en ik groet ze terug. Toch zijn wij wildvreemden voor elkaar. Ik ken die mensen niet, weet hun naam of adres niet. Wel zijn wij deelgenoten. We hebben samen deel aan iets, in dit geval de boswandeling. Honderd meter verder, op de parkeerplaats, groeten zij niet meer en ik ook niet. Als ik het toch deed, zouden ze denken dat ik een beetje raar was. Met andere woorden: vanaf het moment dat we het bos verlaten, zijn we geen deelgenoten meer. Als iemand mij groet in een drukke winkelstraat in de stad dan knik ik vriendelijk terug en denk: Waar ken ik die toch van? We zijn immers geen deelgenoten, we bevinden ons niet in een bepaalde of niet alledaagse situatie (zoals de boswandeling) en dus ga ik er automatisch van uit dat een persoon die groet een bekende is. Ander zou hij mij niet groeten. Een stad is geen plaats waar vreemden elkaar spontaan groeten.
 
Die verbondenheid tussen mensen is een eigenaardig iets. Zit ik op een vliegreis vanuit een verre streek terug naar huis naast een wildvreemde meneer of mevrouw dan weet ik na een uur of twee de meest intieme details uit hun privéleven. Maar eenmaal na landing bij de bagageband aangekomen draaien we ons allebei om en kennen elkaar niet meer. Het is een fijnzinnig spel. Wanneer wel en wanneer niet? Er is geen kennis over in omloop om het te kunnen leren. Het lijkt wel een aangeboren kunst die iedereen beheerst. In de sauna doe je het wel, in de lift doe je het niet. Bij de bushalte doe je het niet maar in de wachtzaal van de dokter doe je het weer wel. In de bibliotheek doe je het niet, maar bij de bakker moet het wel. Bij de pornoshop zeg je niets, maar bij de tandarts wel. Bij het tankstation niet, bij de patatzaak wel.
Een visser groet je niet, een jager wel. Een wandelaar wel, een skiër niet. Een zwemmer ook niet, een fietser evenmin. Een schipper die groet altijd en een padvinder ook. Onder parachutisten wordt niet gegroet, wel gezwaaid.
Wij noemen hem in onze gewone mensentaal de solitair. Een boom die alleen staat in het landschap. Een solitair.
Een woord dat net iets langzamer en nadrukkelijker wordt uitgesproken dan gewoonlijk. Meestal staat het woord aan het einde van een zin, nooit vooraan en zeker niet middenin. Men zegt niet: een solitair is een sterke boom. Men zegt: het zijn sterke bomen die solitairen. Is het uit bewondering? Is het uit ontzag? Waarschijnlijk, want onze hoogachting is groot voor alles en voor allen die alleenstaand op de wereld kunnen bestaan. Alleen, maar nooit in eenzaamheid. Dus wel solitair maar nooit in solitude.
Hij stáát daar niet alleen in het landschap, de solitaire boom, hij bepáált het hele landschap rondom hem. In het Duits noemt men dat zo mooi een Raumbilder. Een woord dat moeilijk te vertalen is, zoals met meer Duitse woorden. Die woorden bestonden al lang voor wij mensen op de aarde verschenen. Gestaltungsmittel is ook zo een woord. De boom als Gestaltungsmittel, de boom als Raumbilder. U snapt het meteen. Als u het niet snapt is dat waarschijnlijk omdat u het niet wilt snappen en dan hoeft het dus ook niet te worden vertaald. Dan moet u ook niet afreizen naar het land met bomen als Raumbilder. Waar de aarde vruchtbaar is, waar de aarde glooiend onder de hemel ligt. Want daar, op die uitgestrekte akkerlanden, staan de solitairen als ridders op hun eigen grond. Ze zwijgen, maar niet omdat ze niet kunnen spreken. Ze zwijgen omdat alleen al hun aanwezigheid in het landschap zoveel vertelt. Omdat hun bestaan op die akkers verwijst naar het mensenleven. Een mooier symboliek van is ons mensen niet zo vaak gegeven.
Soms heb je zo een tuin, die niet wil. Die stug is, zich niet wil laten vormen, probeert te ontsnappen. In het begin, toen ik nog maar kort tuinen ontwierp beet ik me daar dan in vast, bleef doorontwerpen tot het potlood me uit de hand viel en alle schetsrollen op waren. Het resultaat was nooit bevredigend, altijd geforceerd, doorgedrukt.
Die tuin vraagt dan enkel wat meer aandacht, wat rust. Er zit meestal een probleem in dat zich in het begin niet zo direct laat zien maar pas mettertijd te voorschijn komt. Eens dat gezien, is het kinderspel om het te erkennen en te verwerken in de tekening.
Zo had ik er vandaag weer eentje waar ik al een tijdje mee rondliep. Te kleine maat, verkeerde verhouding, alles te dicht opeen, krap, nijpend. Uiteindelijk heb ik er een brede pergola in gezet die alles bij elkaar greep en opeens de baas werd, zodat alles braaf luisterde en ondergeschikt bleef. Eenvoudig. Als je het maar ziet.
(Ik zal toch beter slapen vanavond)
Het is nat vandaag, alles is nat. De stammen van de bomen en de struiken zijn zwart van de nattigheid.
De maïsstoppels op de lege akkers staan in de natte klei. Het polderwater staat vol nattigheid en zelfs de vleugels van de vogels druipen van het nat.
Een eenzame meeuw vliegt hoog helemaal daarboven in de grijsdonkere lucht. Alleen meeuwen kunnen zo dapper alleen zijn. Alsof ze het opzoeken, nooit per ongeluk. Wat lager spoeden de duiven zich naar links of naar rechts, alle kanten uit, overal heen. Wat zouden ze toch gaan doen? De eksters blijven hier en huppen wat rond.
De slanke rietstengels langs de sloot hangen schuin naar beneden, moe van de nattigheid. Ze lijken te treuren zoals alleen de natuur kan treuren. Stompe knotwilgen staan tegen de open polder in te leunen. Zij hebben geen enkel detail meer nu ze zijn geknot, geen enkele nuance biedt hun silhouet. Hoe eenzaam is een rij?
De populierenbomen in hun gelid daarentegen blijven mooi ondanks alle donkerte. De essen hangen nog vol met hun plompe vruchten.
Er is geen ontsnappen mogelijk vandaag, alles is zwart. Het enige wit in de wereld is van de wilde knobbelzwanen die verderop met gedraaide nekken staan te kijken naar de plassen in de weilanden.
En dan plots daar, een witte reiger, witter dan wit. Die nobele verschijning en die krachtig langzame vleugelslagen brengen toch weer sierlijkheid in het landschap. Net zo hoopvol als zonnestralen die hadden kunnen doorbreken Een torenvalk lijkt zowaar bruingrijs in plaats van zwart, eeuwenoud bruin.
Het wordt toch nog middag.

Volgende week start de laatste reeks van de cursus Ontwerpkunde voor Tuin en Park. Hopelijk hebben die vele tuinontwerpers die telkens die tien dagen cursus meemaakten, daar in hun dagelijkse praktijk veel aan gehad. Als ik zo af en toe iemand spreek, dan geven ze dat aan en dat doet mij plezier. Dat je indirect iets hebt kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van een ontwerper en aan de totstandkoming van een tuin of een plein of een plek. Die mensen gebruiken in hun dagelijks leven, waardoor de wereld toch een millimetertje beter werd.

John Lennon antwoordde eens op een journalistenvraag over wat het belang dan zou zijn van The Beatles? Dat we de volgende wereldoorlog drie seconden later hebben doen beginnen, zei hij. Dat maakte veel indruk op mij.

Volgende week donderdag start de cursus 'Ontwerpkunde voor Tuin en Park' en al geef ik deze voor het laatst, ik kan niet anders dan er blijven aan werken en verbeteren. In de les over de technieken van het ontwerpen, komen natuurlijk de looplijnen aan bod.
Hier een kleine analyse van de laatste 8 Festivaltuinen in Appeltern en hoe de verschillende ontwerpers het publiek laten lopen in hun tuin.
Die zijn allemaal 10 x 10 meter.
Zou jij een boom willen zijn?
Mooie vraag om aan een klas pubers te stellen.
Ja jij meisje, welke boom zou jij willen zijn? Een lindeboom, ja, die zijn mooi. Een beetje treurig, maar dat mag. Je tovert mensen zomaar genezen met je kruidige thee en je zoete geuren in de zomeravond.
En jij jongeman? Een taxus nog wel! Dan heb je nog tweeduizend jaar te leven en kun je veel wijsheid verzamelen. Word je nog slimmer dan de eiken en die zijn al zo slim.
Nee, niet een beuk, die doen maar alsof. Want die verzamelen niet zoveel, die geven alles weg. Zoals de kastanjes, ook niet zo’n slimme bomen. Beetje vaag, beetje snob.
Ah, wat hoor ik daar achterin de klas? Een ceder? Ja dat is wel wat. Die hebben ouderdom en wijsheid bij elkaar. Ze zijn wat droevig, maar toch ook blij, ze houden van de Middellandse zee-zon, van de stoffige zomeravonden en van de zware sneeuwval die ze makkelijk op hun takken kunnen dragen.
Oh ja, de meidoorn hoor ik daar. Dat is heel wat anders, die springt door het leven en vergeet alle zorgen. Die is vriend met Jan en alleman.
Zo niet de es, die is wat traag en stug, die wil niet zo, heeft moeite met alles en iedereen. Last van verandering.
 
Zo had ik best een uurtje hebben kletsen met de klas, maar ze waren al bij de fietsen.
De hele dag hing een dikke grijze lucht boven het land. Af en toe zeeg wat regen neer, nat en laf van de kou. Nergens licht, behalve de lampen van de auto’s. Die speelden al nachtje. De dag kon dat niet, voor nachtje spelen, die bleef dag, hoe moedeloos en traag hij zich dan ook door de tijd moest slepen, een hele dag lang.
De dag is een hij, bedacht ik, en dat maakte hem zo ontroostbaar. In het Engels is het een zij. Frank Sinatra zong het lied Lady Day. Toen ik het voor het eerst hoorde kon ik niet meer bewegen. Ik stond letterlijk stil. Nu nog, als het onverwachts in mijn hoofd opspringt, dan word ik heel traag en langzaam, zoals de dag vandaag. Ik vroeg me af in welke streek Sinatra de dag die hij bezong meemaakte. Waar hij aan dacht toen hij het lied inzong, toen hij daar alleen in de studio stond voor dat grote orkest. Met wel vijftig violen.
‘Poor lady day could use a smile, some kindness / Lady day has too much rain’ . Hoe kon een man zo over de dag zingen.
Als plant hoort de suikerbiet (Beta vulgaris) bij de wortelgewassen, als bloem bij de onbekenden, maar als vrucht tot het landschap. Het is nu al ver in de herfst en de dagen zijn dompig en grijs.
De suikerbieten zijn geoogst door grote geheimzinnige machines, die zwaar op het land leunen en soms tot diep in de avond met hun zoekende lichtbundels aan de slag zijn. Het geronk van de motoren klinkt tot kilometers ver door. Geen biet wordt nog door een warme mensenhand beroerd, bewerkt of gedragen. Dit is geen oogsten meer, dit is een campagne. Eenmaal begonnen is zij niet meer te stoppen en trekt als een veldslag over de akkers. De zomerse rust is veranderd in een luidruchtig en jachtig vertier, wegen zijn onbegaanbaar en veranderd in glibberige sporen; het laatste groen is verdwenen van de velden en overal verschijnen de diepe groeven in de modderige klei. Pas als de eerste vorst op het land wordt waargenomen stopt deze verwoede machinerie en wordt het weer stil op het platteland. Het oogsten van de bieten is jaarlijks de laatste drukte.
In de vaalwordende grauwte van de late herfstdag liggen de bieten daarna als grijsbruine hompen op gestapelde hopen, als gevallen soldaten, het blad weggefreesd en met messen nagekopt. De zesrijige bietenrooier kent geen genade, hij maakt ze allemaal gelijk. Geen plant die het landschap zo beïnvloedt als de biet. Eerst zijn er de naakte akkers met hun rechtgesneden voren. Na de winter komen uit de kapotgevroren kleiklompen de jonge frisse lootjes van de planten te voorschijn die aan de glooiende velden een hoopvolle gloed geven. De ganse zomer staan de grote bladeren te blaken in de zon en tonen aan de toeristen die als fietsers en wandelaars door de streek trekken hoe vruchtbaar het land wel niet is. Nu in de herfst liggen op elke hoek en kruising van de veldwegen die hopeloze massa’s te wachten tot de grote vrachtwagens ze zullen deporteren naar de fabrieken waar ze vermalen worden. Dan is de rust op het land weergekeerd. De vette klei op de omgeploegde landerijen zal stil en glimmend blijven liggen tot er een dik tapijt van witte sneeuw is neergedaald en de winterslaap alles zal doen vergeten.
Michel Lafaille in de nieuwste editie het tijdschrift Stadswerk, over ‘Ontwerp versus Beheer’:
‘Een ontwerp is in essentie de oplossing van een probleem dat vervolgens in een esthetische vorm wordt gegoten. Karakteristiek is dat de ontwerper probeert de eisen die gesteld worden (verkeer, veiligheid, parkeren, spelen, etc.) te realiseren in een overzichtelijke en mooie uitstraling waarbij oog is voor ecologie en aandacht voor duurzaamheid.’
Als u deze dagen naar de BBC kijkt, of misschien in Engeland bent, dan ziet u iedereen met een papieren bloemetje op de revers of de borst. Dat stelt een klaproos voor, als symbool van de herinnering aan de Flander Fields. De grote oorlog, de eerste wereldoorlog, die zich in het slijk van Vlaanderen afspeelde en waar miljoenen soldaten zijn omgekomen. Een van de grote zinloosheden van de vorige eeuw.
Gek hoe een zo tere bloem, die verwelkt als je ze afplukt, een zo grote icoon is geworden. De bloem die altijd en overal als pionier verschijnt, waar de aarde is omgewoeld, waar de wereld verstoord is.
Moedig volk die Engelsen om zo de hele dag met een bloem rond te lopen, de mannen en de vrouwen, om hun minachting en hun protest tegen de oorlog – of misschien alleen maar hun onbegrip voor zoveel absurditeit – uit te drukken.