De overbuurvrouw stapte met voorzichtige passen door haar voortuin. In de rechterhand een snoeischaar, in de linkerhand enkele geknipte takjes. Ze was duidelijk op zoek naar elementen voor een kerststukje of een kerstkrans. Ze nam telkens grote stappen door haar voeten één voor één tussen de planten te plaatsen. Bukken, kijken, opstaan. Kijken, bukken, knippen, opstaan. Knippen, laten vallen, bukken, opstaan. In een onregelmatig ritme. De hand werd te vol, ze kon de takjes niet goed meer vasthouden en besloot te stoppen en terug te keren. Dat zag je aan haar houding. Nog eenmaal keek ze rond, in een laatste grote boog, de planten en struiken evaluerend voor een allerlaatste knip. Neen, niets kon haar verder de tuin inlokken, ze had duidelijk de nodige ingrediënten voor haar creatie. Terug naar binnen.
Deze onschuldige beweging, hoe klein dan ook, is waarschijnlijk de doeltreffendste manier om weer even in contact te staan met de tuin. De rode bessen van de hulst en de taxus, de wintergroene blaadjes, de krullerige takjes van de hazelaar, de winterbloemen. Alles wordt door het oog betast en met de blik onderzocht. Onbewust is de ronde in de tuin gedaan, zijn enkele zaken in het hoofd genoteerd om straks bij het heldere weer van januari aan te pakken. Nu snel naar binnen om in de huiskamer een vleugje van het wintergroen te brengen.
Het is niet alles donker zo vlak voor Kerstmis.