Vanochtend naarstig de voorruit van de auto gewassen. Die zat vol Duitse insecten. Ik moest voor een afspraak vanochtend vroeg vertrekken, in het nog wankele morgendonker van de herfst dat zich voordoet als de eerste schuchtere voorbode van de winter. Wat ik niet wist is dat het vanochtend naar weer zou zijn met harde regen waardoor het schoonmaken tot een volstrekt overbodig werk zou verworden.
Was het daarom nutteloos? Neen denk ik. Want door het nijvere poetsen, de beweging van de arm boven het raam, het draaien van de spons op het venster, het scheppen van het warme water, het uitknijpen van de spons over het glas, het kijken naar het spoor die het witte zeepschuim vormde, kwam ik dichter bij iets dat voor mij van belang was, zonder te weten wat het precies inhield.
Zoiets als de timmerman die zijn nieuwe hamer even in de handpalm weegt om hem te proeven; zoiets als de metselaar die de klinkers even in de lucht gooit alvorens ze tegen elkaar te slaan ter controle van hun lichtheid, zoiets als de boer die zijn hooivork zwierig omhoog laat bewegen alvorens het hooi te schudden; zoiets als de ruiter die zijn leren zadel liefdevol draagt alvorens het met een kordate zwaai op de rug van het paard te plaatsen. Het zijn dingen die moeten gebeuren vanuit een andere orde, zonder reden maar met een doel dat nog ergens ver in het verschiet ligt, op het einde van het gezichtsveld waar de lijnen in elkaar vloeien. Daar ben ik nog nooit geweest, net zomin als de timmerman, de metselaar, de boer of de ruiter.