Zo zag ik tijdens het wandelen langs een boomgaard een vergeten peer hangen. Al het andere fruit was weg, op wat late appelrassen na, die moeten nog geplukt worden. Kwestie van net lang genoeg te laten hangen voor de vorst ’s nachts gaat komen. Maar die ene peer, die was vergeten, die hing daar niet bewust, was door haar groene kleur en de gestippelde bruine vlekjes zo opgegaan in het decor van de boomgaard dat niemand haar had zien hangen, wat verscholen tussen de blaadjes die nu verdwijnen, waardoor de peer met haar wulpse ietwat slanke vorm wel in het oog springt.
Ze zal over enige tijd vallen, haar steeltje zal breken door het bewegen in de wind en dan zal ze tussen de hoge grasstengels liggen, op de koude grond. Wat blad, takjes en gras om haar te beschutten. Tot een mooie mannetjesfazant langs zal stappen en stoppen om eerst met z’n bange ogen rond te kijken, even aan te slaan, om dan met z’n puntige snavel een paar happen te nemen uit het maagdelijk vlees van de peer, tot er verderop, voor ons mensen niet hoorbaar, een andere peer zal vallen, ook moe van het lange hangen en met een zacht geluid in het natte gras zal ploffen. Met snorrende vleugelslag zal de fazant lawaaierig opvliegen, tamelijk steil omhoog, denkend aan gevaar, om dan in een lange glijvlucht naar het struikgewas achteraan bij de greppel neer te willen komen. Het korte droge schot van de hagel zal klinken en echoën in de mistige lucht.
De peer blijft liggen in het gras en wacht, tot misschien een egel, al wat laat voor de winterslaap voorbij kruipt en gulzig van de sappige vrucht zal eten, tot hij de snelle tred van de vos hoort naderen en zich klein maakt, zo klein dat hij bijna verdwijnt. De vos zal hem niet zien, ziet slechts de peer waaraan geknabbeld is en denken dat er jagers onderweg zijn die na een paar korte happen de peer in het gras te grabbel hebben gegooid.
Het is beter dat ik maar doorloop, dacht ik, en de peer laat hangen.