Met de grote puntige bladeren van de plataanboom in de hand stapten ze vol vertrouwen in het rond. Ze waren met z’n drieën en geloofden dat de wereld goed was, behalve heel soms eventjes als je een nare droom droomde, tandpijn kreeg of steentjes in je knieën had van het vallen met de fiets. Voor de rest konden ze alles aan.
De trossen bladeren waren veel te groot voor die kleine handjes. Ze staken ze vurig naar voren alsof ze die wilden weggeven aan iemand die er niet was. Ze liepen alleen maar de wind achterna en stapten wild tussen de afgevallen herfstbladeren. Vol van alles en nu. Van het moment en zichzelf en de wereld. Van datgene wat ze aan elkaar wilden vertellen maar nog geen woorden voor hadden.
Ze gierden en giechelden van de pret en konden amper ademhalen, slechts elkaars naam roepen en nog meer bladeren oprapen waardoor er anderen uit hun handjes vielen wat de pret alleen nog maar vergrootte. Drie meisjes. Eentje met roze laarsjes, eentje met groene laarsjes en eentje met witte laarsjes.
Dat was pas herfst, wat kon mij die depressie boven Stockholm nou schelen dacht ik in een zoef voorbijschietend in de auto en ik zette het weerbericht uit.