Voor me op het bureau ligt het blad van de Prunus serrulata ‘Kanzan’. Mooie herfstkleuren die ik het liefst voor altijd zou willen bewaren en dat was ook de reden dat ik het blad onwillekeurig opraapte tijdens een korte ochtendwandeling vandaag.
Dat het een Kanzan is zag ik niet aan blad, maar aan de vorm van de boom. De kroon heeft een mooie vaasvorm, smal van onderen en breed van boven. Verder ben ik geen specialist. Sierlijk gevormd is het blad, alsof het in zichzelf één beweging is. Van het puntje in de top tot het steeltje onderaan. Verbonden door een grove hoofdnerf die zich heel gracieus vertakt, in tegenover staande zijnerven. Zoals een blad hoort te zijn, zoals een kind het zou tekenen. Getand aan de randen, korte puntige tandjes waarvan ik de functie niet ken, want ik neem aan dat ze er niet aanzitten om slechts het esthetische te dienen.
De linkerkant is geel verkleurd, de rechterkant eerder rood, gesponst, gewassen, gespoten. Niet geschilderd, daarvoor zijn alle kleuren te vaal en te gelijkmatig. Door de droge lucht in mijn bureau zijnde randen wat opgekruld, omgeslagen, naar binnen gerold. Daardoor lijkt de punt nog puntiger.
Hoeveel van dit soort bladeren zitten er aan een Prunus, en allemaal even mooi. En in de hele straat? En in de hele stad? En in het hele land?
Ik hou het meeste van de Kanzan, ook vanwege die gevulde roze bloemetjes in de lente, miljoenen en miljoenen. En in de hele straat? En in de hele stad? En in het hele land? De Amanogawa is ook mooi, de smal zuilvormige soort met lichtroze halfgevulde bloemen. Maar de herfstkleur is zo rood en paars. Te. En teveel herfst is ook niet goed. Net zoals teveel marsepein.