Vandaag ben ik wat van mijn apropos geraakt. Met andere woorden, ik ben de draad van het verhaal kwijt. Niet de kluts, dat jullie dat niet denken, oh neen, alleen maar de draad. Van mijn verhaal dus. Een oude uitdrukking die niet meer zo gebezigd wordt: ‘van zijn apropos raken’.
Eenmaal de draad kwijt, dan schiet je er ook niet meer in. In het verhaal dus. Vaag weet je nog wel waar het over ging, maar de sfeer klopt niet en de personages zijn verkeerd. Je dacht dat het mooi weer was maar het mist en sijpelt. Je moest iets doen maar je bent vergeten wat en alles wat je toch doet blijk je gisteren al gedaan te hebben. De telefoon gaat niet over, net alsof het zondag is. Via de e-mail of de andere media komen geen berichten binnen. Toch wel een spammetje zeker? Nee? Geen Japanner die vraagt of ik Cheap Viagra wil hebben of iemand die me een valse Rolex aanbiedt? Geen plastic palmen in de aanbieding die je geen water hoeft te geven of geen zes namaak barkrukjes van een Frans ontwerper voor de prijs van twee? Niets, niemand kent mij. Alles is leeg. Geen Kamerdebat op de televisie, geen wielrennen of schaatsen.
Kent iemand dat gevoel? Het lijkt of alles zich een centimetertje naar opzij verschoven heeft waardoor het er anders uitziet en vervreemdend overkomt.
Vond ik dat gisteren een goed idee? Onmogelijk!
Wou ik dat ontwerp in die richting aanpakken? Belachelijk!
Is dit het begin van die tekst die mijn diepere gevoel zou uitdrukken? Kinderachtig!
Je weet dat je eigenlijk je jas moet aantrekken en naar de bioscoop gaan, want er is niets dat hier nog zal helpen. Maar het is nog te vroeg op de dag om al een geopende bioscoop te vinden en wat zouden de mensen zeggen die je tegenkomt en ter begroeting vanuit de verte een arm zwaaien terwijl ze roepen: Dagje vrij Lafaille?
Dus maar weer aan het koffiezetapparaat, maar weer eens naar buiten kijken, maar weer eens dat nieuwe boek ter hand genomen dat er interessant uitziet maar waar ik al niet meer van weet waarom het hier ligt.
Ik ben jaloers op de kinderen die simpel kunnen zeggen: ik wou dat het al morgen was.
Als plant hoort de wilg (Salix) bij de houtachtigen, als bloem bij de katjes. Het voorjaar zal zo zoetjesaan wel eens beginnen, maar het oog ziet nog niet zoveel gebeuren. In de grienden is het hoogseizoen. Hoewel de wilg tot de bomen behoort zullen we de wilgentenen tot de planten rekenen.
De vers gesneden twijgen, wilgentenen genoemd, liggen opzij in bussels gestapeld, wachtend om vervoerd te worden, de kale stobben staan klaar om uit te schieten. Binnen een maand zijn de slapende knoppen van binnenuit het hout uitgelopen en ziet alles weer wonderlijk groen.
De naam wilg komt waarschijnlijk van welaga, het Germaanse welig, draaien, winden; de wetenschappelijke naam Salix komt van het Latijnse salax, hetgeen weelderig of geil betekende. Een heksenboom dus. Tegen de sterke seksuele aandrang en geilheid van een man gaf begin 1700 de Duitse arts Hellwig zijn patiënten wilgenblad met suiker om op te kauwen.
Salix viminalis,de teen- of katwilg, is de meest aangeplante in de grienden. Men spreekt in de griendcultuur in de soorten van Belgisch rood, Frans geel, Hengeloos zwart of witte wilg; in de tuinenwereld heerst de romantiek van gekrulde wilg, katjeswilg, bandwilg of goudwilg. De wilg is ook medicinaal te gebruiken. De bast bevat asparaginezuur en dat werd vroeger op kneuzingen gelegd om pijn te verzachten. Wilgenbastthee verzacht ook de pijn en dempt de koorts. Koeien, schapen en geiten zijn dol op wilgentakken vermoedelijk door de asparagine welk zoet en verdovend is.
Meer en meer ziet men de kleurige bundels decoratief toegepast in de tuin, als een verwijzing naar een grootse en wilde natuur. Geil dus.
Rosse roest / Rode rust
Gulle gele / Groene grienden
Bleke blauwe / Bruine blote
Goude moude / Roze raasde
Kouwe blauwe / Gele goede
Zwoele zwarte / Bleke rooie
Zoenelijke groenen / Witte wikke
Grijze lijpe / Oranje Wanje
Slurpend purper /Grommend glimmer
Wie staat er ons zo te verleiden in de tuinen en de parken, ja soms wel eens onverwachts in een bos? Het is de Galanthus nivalis, het sneeuwklokje. Eigenlijk heet het plantje in het Nederlands ‘gewoon sneeuwklokje’, maar dat zegt geen mens. Want dat is toch geen naam: gewoon? Dit bloempje is toch helemaal niet gewoon? Als dat gewoon is, wat zou er dan bijzonder zijn? Dat zou ik wel eens willen weten. Juist, zoiets bestaat niet en als bijzonder niet bestaat moet gewoon ook niet bestaan.
Want is het sneeuwklokje an sich al niet heel speciaal? Zoals het daar staat, broos en teer, met het bloemhoofdje verlegen omlaag, als een schuchter elfje? Misschien durven ze zich enkel te laten zien omdat ze met zoveel te voorschijn komen, nooit alleen. Ze staan daar zo kwetsbaar. En maken ze ons juist met die verschijning daarom niet zo blij vanbinnen? Blij van zoveel schoonheid en betovering?
Hun naam alleen al staat voor pure toverkracht. Galanthus, dat hoeft geen betoog. Nivalis, hetgeen in Latijn in of bij de sneeuw of sneeuwachtig betekent. Want daar ziet men ze wel eens staan, tussen de sneeuwvlokken omhoog groeiend naar het eerste zonnelicht. Toch komen ze oorspronkelijk uit Zuid Europa en zijn ze hier pas sinds de 18de eeuw te vinden. De ‘gala’ (melk) – ‘anthos’ (bloem). Met hun glasheldere bloemetjes, als klokjes zo verfijnd. De Nivalis, als de naam van een wonder.
Met het ouder worden, wat onherroepelijk hoort bij een verjaardag, wordt de mens zich alsmaar meer bewust van de vergankelijkheid van het leven en de snelheid waarmee dat voorbij vliegt. Voorbijvliegen is goed gezegd, want het lijkt soms wel of het buiten mij staat en doet wat het wil. Alsof ik er zelf niets aan kan doen of veranderen. Ik sta er bij en kijk er naar, maar beïnvloeden, neen.
Een grote wijze man die veel over dit onderwerp heeft gesproken was de Chinese filosoof Confucius. Dat is zijn Latijnse naam, want eigenlijk heette hij Kong Qiu. We hebben het dan over een jaar of 500 voor onze jaartelling, dus pakweg 2500 jaar geleden. Nou las ik vandaag dat hij pas voorbij zijn zeventigste levensjaar ietwat tot begrip kwam over het deugdelijk leven. Dat gaf mij weer moed, want eerlijk gezegd is het probleem tussen het zo snel voorbij vliedende leven en het begrijpen van dat leven en er beter van gaan handelen voor mij gecompliceerd. Je moet het leven dus leven om het te begrijpen, maar als je het vervolgens begrijpt en weet hoe het moet geleefd worden is het al bijna voorbij. Daar wordt een mens confuus van.
Ik troost me dan maar met een van de citaten die aan Confucius zijn toegedacht: ‘Kennis is slechts de briljantheid in de organisatie van ideeën. Het is geen ware wijsheid. De ware wijsheid gaat voorbij aan kennis’.
En ik dacht dat ik het net begon te begrijpen….
Heb ik verteld over mijn inspiratieding? Neen, sorry dan, ik dacht dat iedereen het al wist. Sinds een aantal jaren heb ik op mijn bureau, of op de tekentafel want het zwerft wat met me mee, een koehoorn liggen. Een echte wel te verstaan, geen muziekinstrument. Zo’n mooi gedraaid spits toelopend hoornen dingeding. Een uitsteeksel of hoe noem je dat, waar de beesten zich mee verdedigen of aanvallen. Ik vond hem een keer in guur drassig novemberweer, ergens in de polders. Zomaar opeens lag hij daar tussen het zuipnatte gras. Toeval? Ik weet het niet. Ik stond een andere keer in de buurt van Odijk in het bos met een jachtopzichter te praten en midden in het gesprek moest ik hem onderbreken, want mijn blik kreeg een reegewei in het oog, daar, tussen de bruine herfstbladeren. Een op een miljoen. Die opzichter had er trouwens goed de pest over in, want ik mocht het natuurlijk meenemen en hij had het niet gezien. Weet trouwens niet waar dat ding tegenwoordig rondslingert. Die koehoorn daarentegen is hier altijd, dichtbij, en als ik het niet meer weet en niet meer verder kan met een tekst of een tekening, dan pak ik hem even vast. Hij ziet er zo zacht uit maar is zwaar en stevig, hard en onvriendelijk. Hij staat vol krasjes op de buitenkant, wel duizend, waar de koe zich gestoten heeft, aan het prikkeldraad of een hekwerk of een andere koe. Toch, als je hem zo vasthoudt en ronddraait in de palm van de hand heeft het iets machtig, iets druïdeachtig. Het heeft eigenaardig genoeg niets doods, maar juist iets levendig alsof het zo dadelijk wat zou kunnen gaan doen. Maar dat doet het niet. Dat doe ik dan maar en leg hem voorzichtig weer op een stapel papieren. Je weet maar nooit dat er ineens toch een geest uit te voorschijn komt in plaats van inspiratie.
Nou vraag ik jullie: vandaag waaide de wind of vandaag woei de wind? Beiden, zal iedereen zeggen, beiden mag.
Maar betekent het ook hetzelfde? Is woei hetzelfde als waaide? Is woei niet veel harder waaien dan gewoon waaien?
Het riet legde zich neer in de wind. Of, het riet lei zich neer in de wind? Wat vinden jullie? Is het hetzelfde of is lei toch wat nederiger dan legde?
De wolken stoven door de lucht of steefden zij door de lucht? Het slijk drapte of droop het slijk? De meeuwen gleden of glieden? De regen beukte of bonkte?
Tja, en jullie dachten dat het alleen maar een beetje regende vandaag…
Een Chinese wijsheid vertelt dat, als je voor even gelukkig wilt zijn, je naar de fles moet grijpen. Wil je langer gelukkig zijn dan neem je een vrouw. Als je blijvend geluk wilt vinden dan neem je een tuin.
Een interessante wijsheid om over na te denken. Om voor het raam te gaan zitten en de ogen en de gedachten te laten dwalen door de tuin en te mijmeren over hoe de lente straks haar intrede zal doen en hoe alles er dan uit zal zien.
Moet het zo blijven? Zullen we iets veranderen? Iets planten, iets verplaatsen? Deze gedachten overbruggen de tijd en is tijd niet een van de wezenlijkste kenmerken van de tuin? Als een constante die steeds maar verder loopt? In een horizontale richting. En zijn de uitbarstingen van het weer en de seizoenen daar niet de verticale onderbrekingen van? Die ons wijzen op het hier en het nu? Waardoor de tuin een ontmoeting is van het horizontale en het verticale, zoals het kruis dat is?
Het is tenslotte zondag.
Gerritjan Deunk is overleden. Daar schrok ik van. Tijdens het laatste Kantinegesprek nog was hij een van de sprekers, ronduit en enthousiast vertellend over het boek dat hij samen met enkele anderen had gemaakt: Het Groot Gedenkboek. Alsof het zo moest zijn.
Hij was een enthousiasteling, een genieter; maar een genieter met kennis. Nooit zomaar, nooit oppervlakkig. Niet dat ik hem goed gekend heb, maar toch intens als het was. De ontmoetingen, de korte contacten. Een man die geliefd werd, zo hoorde je van iedereen. Een connaisseur, zeggen de Fransen. Met zijn boeken, zijn snelle anekdotes, zijn parate kennis over elke tuin of park, want hij kende ze allemaal. Dan liep hij weer verliefd met een plant rond, dan met een boek uit het antiquariaat of met een herinnering aan een reis of een tentoonstelling.
En plots is hij weg. En moeten wij verder. En dat is vreemd.
Niets is zo heerlijk als een planning maken. Dat is wat ik vandaag deed, betreffende het O’FEST welk in juni zal plaatsvinden.
In het plannen dien je namelijk te spelen met je kunnen en je willen. In een uiterst gewaagd evenwicht dien je te noteren waartoe je in staat bent en tegelijkertijd - daarin verweven - waartoe je hoopt in staat te zullen zijn. Daarnaast moet je in je planning ook opnemen waartoe je denk in staat gelaten te zullen worden, maar dat wordt al wat giswerk en dus niet meer spannend. Het kan regenen of het kan dooien. Of zoiets.
Neen, het gaat om dat tweede facet, waartoe je hoopt in staat te zullen zijn, want dat weet je dus nu, op dit moment dat je een planning aan het maken bent, nog niet. Dat is dus X plus nog wat. Die X factor, dat is voor diegenen die denken iets ontdekt te hebben in zichzelf en daar dan het uiterste uit willen halen. Brave zielen hoor, daar niet van. Maar het gaat natuurlijk om dat stuk daarachter, om die plus, wat nog niemand kent van jou en jij in de allereerste plaats niet.
Dus als ik opschrijf dat er in juni 2017 dat en dat zal gebeuren, dan is dat gedeeltelijk vanuit de verwachting van de dingen die ik al weet, aangevuld met dat wat ik nog niet weet. Maar ik moet het wel concreet opschrijven! Anders heb ik geen planning. Door het op te schrijven zal ik mij zo gedragen dat het waarschijnlijk zal uitkomen, dat wat ik vandaag opschrijf, terwijl ik het nu nog niet weet. Heerlijk.
Aanstaande woensdag 15 februari, om 19u30 in Apeldoorn een aflevering van Het Kantinegesprek. Zes boeiende sprekers en veel netwerken. Toegang is gratis en de koffie ook. Reserveer via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..
Een van de sprekers zal Jacqueline van der Kloet zijn, die vertelt over haar Royal Mile en de plannen daaromheen. Hier een ander meesterwerk van haar: de vasteplantenborder in Appeltern.
 
Mooie week geweest. Op een of andere manier kwamen de verschillende zaken en cursussen bij elkaar, en vormden een geheel. Gisteren over ‘de omsloten tuin’ die eigenlijk voor iets anders staat dan de dingen die men er in zal treffen. Dinsdag met een andere groepje, kijkend naar kunstwerken, werd begrepen dat ook de afbeeldingen op die schilderijen eigenlijk iets anders oproepen, dan puur louter dat wat er op te zien is. Woensdag over Mondriaan en zijn overgang van de landschapsschilderkunst naar het abstracte waar we hem van kennen. Maar toch beeldde hij nog steeds hetzelfde uit, maar dan niet wat er buiten te zien was, maar de kracht die dat opriep, omgezet in lijnen en kleurverhoudingen. En vandaag met een groep ontwerpers, werkend aan de inzending voor de volgende Plantariumbeurs in Boskoop, een omgeving zo realistisch als maar zijn kan, een grote kas van staal en glas, met daarin een beurs waar planten geprezen en gekocht en verkocht worden. Wat kun je daar laten zien als je een tuin wil laten zien? Niet de realistische weergave van een tuin, dat zou kitscherig worden en ongeloofwaardig. Maar een illusie. En hoe roep je een illusie op bij een groot publiek? Zodanig dat ze er wel in willen geloven?
Ik rij op weg naar huis zachtjes door de sneeuw met de auto en zie, daar naast mij, aan de bosrand! De snelle vlucht van de mezen. Ze hangen aan de sparrentakken, ze springen op en neer. Ze zijn wel met z’n zessen. Niet bang voor niets en niemand, ook niet voor mij. Ik stop en stap uit. Ik wandel naar ze toe. Ze vliegen op en dwarrelen weer neer, maar zijn al ginder en dan weer daar. Ze kijken nieuwsgierig naar wie ik dan wel ben, zo heel alleen onderweg in dit licht besneeuwde land. Ben ik een vreemdeling? Een Wanderer? De winter kan zo kristalhelder zijn, een winterreis zo heel veel lerend. Ik knasper terug naar de auto en vervolg mijn reis.
Terwijl ik door dit landschap verder trek, een landschap dat tegelijk zo vertrouwd en zo vervreemdend aandoet, denk ik na over woorden uit het dagboek van Schubert: ‘Verdriet scherpt het verstand en sterkt het gemoed, terwijl vreugde zich zelden om het verstand bekommert en het gemoed alleen maar week maakt.’
Gisteren in het Gemeentemuseum in Den Haag, met studenten van de cursus creatief ontwerpen. Met name ging het over ‘leren kijken’ en waarnemen. Het is een bekend verhaal: gemiddeld staan we 9 seconden voor een kunstwerk. Waarom gaan we dan naar een museum of tentoonstelling, zou je je kunnen afvragen.
 
Maar goed, daar stonden we voor ‘Het Bos bij Oele’ van Piet Mondriaan. Een groot werk van 128 cm hoogte en 158 cm breedte. Dik in de olieverf. Uit 1908, de periode dat Mondriaan overging van brave landschapsschilder naar … naar wat? Naar Mondriaan te worden, zeg maar. De verticale en horizontale lijnen werden belangrijk, overheersten en er verscheen kleur als uitdrukking. Als een expressie. De concrete en herkenbare zaken begonnen weg te vallen en hij zocht naar de wereld achter de dingen. Die wilde hij te pakken krijgen en schilderen. Bijna religieus, filosofisch. Mondriaan als filosoof, lees ik later in een boek van Jan Bor.
Vandaag, in de cursus Ontwerpen met beplanting van Sanne Horn, ben ik gastdocent en ga de cursisten vertellen over Mondriaan. Over dat een plant, een boom, een landschap, meer is dan het concrete, dan dat wat je kunt zien. En dat je als ontwerper daar ook vorm aan geeft.
Wel spannend.
De opdracht voor het tuinontwerp is een tuin die voornamelijk moet bestaan uit leifruit en rozen. De keuze van de opdrachtgever.
In plaats van een ontwerp te maken door te tekenen en te schetsen, merkte ik dat ik bezig was met schema’s maken. Allemaal vellen met schema’s van de tuin, waarop je kon zien hoe er gelopen zou worden, waar het open en dicht zou zijn, waar het hoog en waar het laag zou zijn, intiem of toegankelijk, druk of stil, kleurrijk of sober, verhalend of symbolisch, en zo voort en zo verder.
Uiteindelijk heb ik een boek vol schema’s in plaats van een tekening, het tegenovergestelde van de romantiek die normaal gepaard gaat met een tuinontwerp. Geen kleurtjes en pennetjes, geen schaduwen of arceringen. Dat bevalt me eigenlijk heel goed. Misschien lukt dat niet bij iedere opdracht, zeer waarschijnlijk niet en dat hoeft ook niet. Ik ben er steeds meer een voorstander van dat je per opdracht bedenkt hoe je het advies dat je aan de tuinbezitters wilt geven moet of dient te presenteren. Ik zou ook graag eens een roman afleveren in plaats van een tekening, maar weet nog niet goed hoe dat moet. Of een compositie indien ik wat muzikaler was, of een dans. Een stilleven van beeldhouwwerken zou ook mooi zijn.
Waarom eigenlijk altijd maar die tekening?
De wereld is een eindproduct geworden, waarin alles is en niets meer wordt. Wij bezitten als mens een zodanige pretentie dat wij de aarde en het leven, zoals die zich aan ons voordoen, beschouwen alsof zij zich in hun opperste eindstadium bevinden. Alsof er niets meer zal veranderen of kan verbeteren. Het is een gedachtegang van alle tijden, een soort bescherming van de soort. Stilstand is veiligheid en dat is wat wij als mensen zoeken. Zie de politiek van vandaag.
Deze statische situatie verschaft ons hoe langer hoe meer het privilege te denken dat wij als mens ook af zijn. John Milton schreef al in zijn tijd(1608-1674): ‘…Ze schijnen te denken dat wij op de wereld zijn geplaatst om de planten te zien groeien of de sterren te zien bewegen’.
 
Laatst hadden we het tijdens een cursus over dit onderwerp in relatie tot de tuin. Waarom zijn alle tuinontwerpen altijd af? Waarom moeten ze af zijn? Dit leidt slechts tot consumptief gedrag van de tuinbezitter die nog enkel kan zitten of rondlopen. Hij mag vooral nergens aan komen en zeker niets veranderen. Want het is ontworpen. Het is een tuin ‘onder architectuur’ staat er in de advertenties van makelaars.
Hierbij een oproep tot verandering, tot het verbreken van die stilstand. Want consumptief gedrag is menselijk gesproken niet erg interessant, omdat daarin zo weinig van de persoonlijkheid is terug te vinden. Men doet niet iets, men ondergaat slechts. In het doen zit een element van creativiteit en dus van ontwikkeling. Het consumeren is nagenoeg alleen en uitsluitend een lichamelijke bezigheid. Het is het uiterste niet-benutten van vrijheid die ons als mens is gegeven (of die wij zelf hebben bereikt).
En het zou toch wel tragisch zijn als de mens, op het moment dat hij (schijnbaar) eindelijk de vrijheid heeft verworven, niet in staat zou zijn daar gebruik van te maken.