Het is nat vandaag, alles is nat. De stammen van de bomen en de struiken zijn zwart van de nattigheid.
De maïsstoppels op de lege akkers staan in de natte klei. Het polderwater staat vol nattigheid en zelfs de vleugels van de vogels druipen van het nat.
Een eenzame meeuw vliegt hoog helemaal daarboven in de grijsdonkere lucht. Alleen meeuwen kunnen zo dapper alleen zijn. Alsof ze het opzoeken, nooit per ongeluk. Wat lager spoeden de duiven zich naar links of naar rechts, alle kanten uit, overal heen. Wat zouden ze toch gaan doen? De eksters blijven hier en huppen wat rond.
De slanke rietstengels langs de sloot hangen schuin naar beneden, moe van de nattigheid. Ze lijken te treuren zoals alleen de natuur kan treuren. Stompe knotwilgen staan tegen de open polder in te leunen. Zij hebben geen enkel detail meer nu ze zijn geknot, geen enkele nuance biedt hun silhouet. Hoe eenzaam is een rij?
De populierenbomen in hun gelid daarentegen blijven mooi ondanks alle donkerte. De essen hangen nog vol met hun plompe vruchten.
Er is geen ontsnappen mogelijk vandaag, alles is zwart. Het enige wit in de wereld is van de wilde knobbelzwanen die verderop met gedraaide nekken staan te kijken naar de plassen in de weilanden.
En dan plots daar, een witte reiger, witter dan wit. Die nobele verschijning en die krachtig langzame vleugelslagen brengen toch weer sierlijkheid in het landschap. Net zo hoopvol als zonnestralen die hadden kunnen doorbreken Een torenvalk lijkt zowaar bruingrijs in plaats van zwart, eeuwenoud bruin.
Het wordt toch nog middag.

Volgende week start de laatste reeks van de cursus Ontwerpkunde voor Tuin en Park. Hopelijk hebben die vele tuinontwerpers die telkens die tien dagen cursus meemaakten, daar in hun dagelijkse praktijk veel aan gehad. Als ik zo af en toe iemand spreek, dan geven ze dat aan en dat doet mij plezier. Dat je indirect iets hebt kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van een ontwerper en aan de totstandkoming van een tuin of een plein of een plek. Die mensen gebruiken in hun dagelijks leven, waardoor de wereld toch een millimetertje beter werd.

John Lennon antwoordde eens op een journalistenvraag over wat het belang dan zou zijn van The Beatles? Dat we de volgende wereldoorlog drie seconden later hebben doen beginnen, zei hij. Dat maakte veel indruk op mij.

Volgende week donderdag start de cursus 'Ontwerpkunde voor Tuin en Park' en al geef ik deze voor het laatst, ik kan niet anders dan er blijven aan werken en verbeteren. In de les over de technieken van het ontwerpen, komen natuurlijk de looplijnen aan bod.
Hier een kleine analyse van de laatste 8 Festivaltuinen in Appeltern en hoe de verschillende ontwerpers het publiek laten lopen in hun tuin.
Die zijn allemaal 10 x 10 meter.
Zou jij een boom willen zijn?
Mooie vraag om aan een klas pubers te stellen.
Ja jij meisje, welke boom zou jij willen zijn? Een lindeboom, ja, die zijn mooi. Een beetje treurig, maar dat mag. Je tovert mensen zomaar genezen met je kruidige thee en je zoete geuren in de zomeravond.
En jij jongeman? Een taxus nog wel! Dan heb je nog tweeduizend jaar te leven en kun je veel wijsheid verzamelen. Word je nog slimmer dan de eiken en die zijn al zo slim.
Nee, niet een beuk, die doen maar alsof. Want die verzamelen niet zoveel, die geven alles weg. Zoals de kastanjes, ook niet zo’n slimme bomen. Beetje vaag, beetje snob.
Ah, wat hoor ik daar achterin de klas? Een ceder? Ja dat is wel wat. Die hebben ouderdom en wijsheid bij elkaar. Ze zijn wat droevig, maar toch ook blij, ze houden van de Middellandse zee-zon, van de stoffige zomeravonden en van de zware sneeuwval die ze makkelijk op hun takken kunnen dragen.
Oh ja, de meidoorn hoor ik daar. Dat is heel wat anders, die springt door het leven en vergeet alle zorgen. Die is vriend met Jan en alleman.
Zo niet de es, die is wat traag en stug, die wil niet zo, heeft moeite met alles en iedereen. Last van verandering.
 
Zo had ik best een uurtje hebben kletsen met de klas, maar ze waren al bij de fietsen.
De hele dag hing een dikke grijze lucht boven het land. Af en toe zeeg wat regen neer, nat en laf van de kou. Nergens licht, behalve de lampen van de auto’s. Die speelden al nachtje. De dag kon dat niet, voor nachtje spelen, die bleef dag, hoe moedeloos en traag hij zich dan ook door de tijd moest slepen, een hele dag lang.
De dag is een hij, bedacht ik, en dat maakte hem zo ontroostbaar. In het Engels is het een zij. Frank Sinatra zong het lied Lady Day. Toen ik het voor het eerst hoorde kon ik niet meer bewegen. Ik stond letterlijk stil. Nu nog, als het onverwachts in mijn hoofd opspringt, dan word ik heel traag en langzaam, zoals de dag vandaag. Ik vroeg me af in welke streek Sinatra de dag die hij bezong meemaakte. Waar hij aan dacht toen hij het lied inzong, toen hij daar alleen in de studio stond voor dat grote orkest. Met wel vijftig violen.
‘Poor lady day could use a smile, some kindness / Lady day has too much rain’ . Hoe kon een man zo over de dag zingen.
Als plant hoort de suikerbiet (Beta vulgaris) bij de wortelgewassen, als bloem bij de onbekenden, maar als vrucht tot het landschap. Het is nu al ver in de herfst en de dagen zijn dompig en grijs.
De suikerbieten zijn geoogst door grote geheimzinnige machines, die zwaar op het land leunen en soms tot diep in de avond met hun zoekende lichtbundels aan de slag zijn. Het geronk van de motoren klinkt tot kilometers ver door. Geen biet wordt nog door een warme mensenhand beroerd, bewerkt of gedragen. Dit is geen oogsten meer, dit is een campagne. Eenmaal begonnen is zij niet meer te stoppen en trekt als een veldslag over de akkers. De zomerse rust is veranderd in een luidruchtig en jachtig vertier, wegen zijn onbegaanbaar en veranderd in glibberige sporen; het laatste groen is verdwenen van de velden en overal verschijnen de diepe groeven in de modderige klei. Pas als de eerste vorst op het land wordt waargenomen stopt deze verwoede machinerie en wordt het weer stil op het platteland. Het oogsten van de bieten is jaarlijks de laatste drukte.
In de vaalwordende grauwte van de late herfstdag liggen de bieten daarna als grijsbruine hompen op gestapelde hopen, als gevallen soldaten, het blad weggefreesd en met messen nagekopt. De zesrijige bietenrooier kent geen genade, hij maakt ze allemaal gelijk. Geen plant die het landschap zo beïnvloedt als de biet. Eerst zijn er de naakte akkers met hun rechtgesneden voren. Na de winter komen uit de kapotgevroren kleiklompen de jonge frisse lootjes van de planten te voorschijn die aan de glooiende velden een hoopvolle gloed geven. De ganse zomer staan de grote bladeren te blaken in de zon en tonen aan de toeristen die als fietsers en wandelaars door de streek trekken hoe vruchtbaar het land wel niet is. Nu in de herfst liggen op elke hoek en kruising van de veldwegen die hopeloze massa’s te wachten tot de grote vrachtwagens ze zullen deporteren naar de fabrieken waar ze vermalen worden. Dan is de rust op het land weergekeerd. De vette klei op de omgeploegde landerijen zal stil en glimmend blijven liggen tot er een dik tapijt van witte sneeuw is neergedaald en de winterslaap alles zal doen vergeten.
Michel Lafaille in de nieuwste editie het tijdschrift Stadswerk, over ‘Ontwerp versus Beheer’:
‘Een ontwerp is in essentie de oplossing van een probleem dat vervolgens in een esthetische vorm wordt gegoten. Karakteristiek is dat de ontwerper probeert de eisen die gesteld worden (verkeer, veiligheid, parkeren, spelen, etc.) te realiseren in een overzichtelijke en mooie uitstraling waarbij oog is voor ecologie en aandacht voor duurzaamheid.’
Als u deze dagen naar de BBC kijkt, of misschien in Engeland bent, dan ziet u iedereen met een papieren bloemetje op de revers of de borst. Dat stelt een klaproos voor, als symbool van de herinnering aan de Flander Fields. De grote oorlog, de eerste wereldoorlog, die zich in het slijk van Vlaanderen afspeelde en waar miljoenen soldaten zijn omgekomen. Een van de grote zinloosheden van de vorige eeuw.
Gek hoe een zo tere bloem, die verwelkt als je ze afplukt, een zo grote icoon is geworden. De bloem die altijd en overal als pionier verschijnt, waar de aarde is omgewoeld, waar de wereld verstoord is.
Moedig volk die Engelsen om zo de hele dag met een bloem rond te lopen, de mannen en de vrouwen, om hun minachting en hun protest tegen de oorlog – of misschien alleen maar hun onbegrip voor zoveel absurditeit – uit te drukken.
Door een verloren foto was ik in het land van de Vlaamse schrijver Stijn Streuvels (1871-1969). U kent hem waarschijnlijk van titels als De Vlasschaard of De teleurgang van de Waterhoek. Ik bezit bijna zijn volledige werk in een mooie reeks uitgaven uit 1877, te koop geweest voor 1,5 florijn per deeltje. Mijn favoriete deel is Najaar, met daarin Najaar, De Boomen, Jacht en De Aanslag. Uren en dagen heb ik al in die boeken gelezen om te proberen te begrijpen hoe de meester schreef en waarom het toch zo mooi is wat hij schreef. De beschrijvingen van bepaalde dingen, waarom juist die adjectieven, juist die bijvoeglijke naamwoorden.
Een van zijn geliefde thema’s dat telkens naar voren komt is ‘verlangen naar verandering en treurnis om het veranderen'. Dit gaat gepaard met de voortgang van de tijd. Wat vindt u van: … teedere heugenis; met eene zachte lichtschemering omneveld; het zonnebeeld dat opwielt in de lucht; toen de dag doezelig uitstierf …
Ik kan nog steeds urenlang die woorden proeven en alhoewel ze verouderd zijn, hebben ze een zodanige breedte in hun betekenis dat ze moeilijk in ‘hedendaagse woorden’ te vangen of te vertalen zijn.
Zo is ook het glooiende Streuvels land, tussen Kortrijk en Kluisbergen, met Ingooigem als hoogtepunt waar Streuvels woonde en begraven ligt. Zijn huis, Het Lijsternest, is nu een museum. Helaas maar tot 1 november open. Ik heb nu nog steeds een onvervalste bewondering voor de schrijver, die voor mij als een abstract figuur is, verbonden aan het Vlaamse heuvelland.
Het aparte van zoiets als de tuinen van Het Loo, die zo nauwkeurig zijn gereconstrueerd, is dat je terug stapt in de tijd, maar wel in de ruimte van het heden blijft.
Dat is ware Marcel Proust of René Magritte, zo je wenst.
 
 
Voor me op het bureau ligt het blad van de Prunus serrulata ‘Kanzan’. Mooie herfstkleuren die ik het liefst voor altijd zou willen bewaren en dat was ook de reden dat ik het blad onwillekeurig opraapte tijdens een korte ochtendwandeling vandaag.
Dat het een Kanzan is zag ik niet aan blad, maar aan de vorm van de boom. De kroon heeft een mooie vaasvorm, smal van onderen en breed van boven. Verder ben ik geen specialist. Sierlijk gevormd is het blad, alsof het in zichzelf één beweging is. Van het puntje in de top tot het steeltje onderaan. Verbonden door een grove hoofdnerf die zich heel gracieus vertakt, in tegenover staande zijnerven. Zoals een blad hoort te zijn, zoals een kind het zou tekenen. Getand aan de randen, korte puntige tandjes waarvan ik de functie niet ken, want ik neem aan dat ze er niet aanzitten om slechts het esthetische te dienen.
De linkerkant is geel verkleurd, de rechterkant eerder rood, gesponst, gewassen, gespoten. Niet geschilderd, daarvoor zijn alle kleuren te vaal en te gelijkmatig. Door de droge lucht in mijn bureau zijnde randen wat opgekruld, omgeslagen, naar binnen gerold. Daardoor lijkt de punt nog puntiger.
Hoeveel van dit soort bladeren zitten er aan een Prunus, en allemaal even mooi. En in de hele straat? En in de hele stad? En in het hele land?
Ik hou het meeste van de Kanzan, ook vanwege die gevulde roze bloemetjes in de lente, miljoenen en miljoenen. En in de hele straat? En in de hele stad? En in het hele land? De Amanogawa is ook mooi, de smal zuilvormige soort met lichtroze halfgevulde bloemen. Maar de herfstkleur is zo rood en paars. Te. En teveel herfst is ook niet goed. Net zoals teveel marsepein.
Met de grote puntige bladeren van de plataanboom in de hand stapten ze vol vertrouwen in het rond. Ze waren met z’n drieën en geloofden dat de wereld goed was, behalve heel soms eventjes als je een nare droom droomde, tandpijn kreeg of steentjes in je knieën had van het vallen met de fiets. Voor de rest konden ze alles aan.
De trossen bladeren waren veel te groot voor die kleine handjes. Ze staken ze vurig naar voren alsof ze die wilden weggeven aan iemand die er niet was. Ze liepen alleen maar de wind achterna en stapten wild tussen de afgevallen herfstbladeren. Vol van alles en nu. Van het moment en zichzelf en de wereld. Van datgene wat ze aan elkaar wilden vertellen maar nog geen woorden voor hadden.
Ze gierden en giechelden van de pret en konden amper ademhalen, slechts elkaars naam roepen en nog meer bladeren oprapen waardoor er anderen uit hun handjes vielen wat de pret alleen nog maar vergrootte. Drie meisjes. Eentje met roze laarsjes, eentje met groene laarsjes en eentje met witte laarsjes.
Dat was pas herfst, wat kon mij die depressie boven Stockholm nou schelen dacht ik in een zoef voorbijschietend in de auto en ik zette het weerbericht uit.
We hebben er allemaal een uur bij gekregen. Dat zijn aardig wat uurtjes in totaal. Daarmee hadden we als mensheid iets heel moois kunnen doen, maar zover mijn informatie reikt is dat niet gebeurd, alhoewel ik eerlijk moet toegeven dat ik niet alle Journaals heb bekeken of beluisterd.
Aan de hand van dit extra uur kunnen we de mensen in drie parten opsplitsen. Zij die zeiden dat er toch een uur bijkwam in de loop van de nacht en dus best een uurtje langer konden opblijven en doorfeesten. De tweede groep zijn de mensen die de klok een uur terug gezet hebben om vervolgens een uur langer te gaan slapen. De derde groep tenslotte, waren diegene die normaal gingen slapen in de zomertijd, even lang sliepen als gewoonlijk en dus een uur vroeger zijn opgestaan in de wintertijd, omdat ze dan toch al normaal geslapen hadden. Die hebben op zondag een uur kunnen lanterfanten of chillen zoals dat heet.
Bij welke groep deelt u zichzelf in?
Zo zag ik tijdens het wandelen langs een boomgaard een vergeten peer hangen. Al het andere fruit was weg, op wat late appelrassen na, die moeten nog geplukt worden. Kwestie van net lang genoeg te laten hangen voor de vorst ’s nachts gaat komen. Maar die ene peer, die was vergeten, die hing daar niet bewust, was door haar groene kleur en de gestippelde bruine vlekjes zo opgegaan in het decor van de boomgaard dat niemand haar had zien hangen, wat verscholen tussen de blaadjes die nu verdwijnen, waardoor de peer met haar wulpse ietwat slanke vorm wel in het oog springt.
Ze zal over enige tijd vallen, haar steeltje zal breken door het bewegen in de wind en dan zal ze tussen de hoge grasstengels liggen, op de koude grond. Wat blad, takjes en gras om haar te beschutten. Tot een mooie mannetjesfazant langs zal stappen en stoppen om eerst met z’n bange ogen rond te kijken, even aan te slaan, om dan met z’n puntige snavel een paar happen te nemen uit het maagdelijk vlees van de peer, tot er verderop, voor ons mensen niet hoorbaar, een andere peer zal vallen, ook moe van het lange hangen en met een zacht geluid in het natte gras zal ploffen. Met snorrende vleugelslag zal de fazant lawaaierig opvliegen, tamelijk steil omhoog, denkend aan gevaar, om dan in een lange glijvlucht naar het struikgewas achteraan bij de greppel neer te willen komen. Het korte droge schot van de hagel zal klinken en echoën in de mistige lucht.
De peer blijft liggen in het gras en wacht, tot misschien een egel, al wat laat voor de winterslaap voorbij kruipt en gulzig van de sappige vrucht zal eten, tot hij de snelle tred van de vos hoort naderen en zich klein maakt, zo klein dat hij bijna verdwijnt. De vos zal hem niet zien, ziet slechts de peer waaraan geknabbeld is en denken dat er jagers onderweg zijn die na een paar korte happen de peer in het gras te grabbel hebben gegooid.
Het is beter dat ik maar doorloop, dacht ik, en de peer laat hangen.
Gisteren presenteerde een viertal ontwerper zichzelf als ‘De humane ontwerpers’. Zij leerden elkaar kennen bij |het ontwerp instituut| en werden aangesproken door de missie van het instituut over specifiek dat humane aspect (zie elders op de website onder de knop Visie). Het is mooi en hartverwarmend dat dit gebeurt en zich uitdeint. Hopelijk vinden zij voldoende energie en doorzettingsvermogen om dit verder te blijven doen en opdrachten te vinden waarbij ze dit ideaal kunnen verwezenlijken.
 

‘De mens met zijn beleving en ervaring van de buitenruimte staat centraal en niet de overheersende doelmatigheid’.

 

Door de les van Leo Goudzwaard van Alterra Wageningen over bomen en hun ecologische waarde, afgelopen vrijdag in Apeldoorn, is de focus weer helemaal terug op de boom en de verschijningsvorm van de boom. Leo had voor elke cursist een schrift gemaakt met 29 verschillende bladeren van (inheemse) bomen en struiken. Wat een werk van de man. Daar moesten we (want ik mocht meedoen) natuurlijk van opschrijven welke soort het waren (Nederlands en Latijnse naam, telkens 2 punten). U kunt zich voorstellen dat de hilariteit weer even terug was bij het ontwerp instituut, want ja, die ken ik wel, maar hoe heet die toch al weer….
Vandaag onderweg door Nederland, zag ik vele bomen staan langs de snelweg en ik kon er niet aan voorbij rijden zonder hardop in de auto op te sommen wat ik allemaal zag. Ja, we staan weer terug op scherp.