Ik droomde dat ik in een treurwilgbos liep. De grote dikke bomen stonden als olifanten tegen elkaar geschraagd, alsof ze moe waren van een hele tijd wachten. Ze wisten dat er weer een lente en weer een zomer zou komen, die wel hoop zou brengen maar geen definitieve oplossing, want daarna zou alles weer in een herfst opgaan en zou er weer een winter invallen. Wat is de zin?
Toch begonnen hun takken al lichtjes geel te kleuren, als een vage aankondiging van een naderend voorjaar.
Tussen de dikke stammen lagen grote betonnen platen van wel drie bij drie meter. Sommige waren door de kracht van de wilgen omhoog geduwd en tussen die zware schotten groeiden kruiden. Nog wat verslenst door de kou en de natte sneeuw, straks waarschijnlijk weer groen en sterk.
Ik wist dat ik droomde maar daar niet aan kon ontsnappen. Op een vage manier voelde dat prettig, tot ik besefte dat dit landschap een decor was dat ik zelf had ontworpen voor een prijsvraag, al enkele jaren geleden. Die wedstrijd had ik niet gewonnen en dat bleek nu maar goed ook, want anders zou ik hier nu niet kunnen lopen, want dan zou dit treurwilgbos in Almere staan en zo zag het er hier echt niet uit.
Wie moet er nou in zijn eigen droom in een zelf ontworpen bos van treurwilgen rondlopen? Het was hier ook winter, net zoals in de echte wereld. Waarom die parallel? Toen begon er muziek te spelen. Ik liep in de richting van het geluid, als betoverd, aangetrokken en bedwelmd. Tussen de zware boomstammen herkende ik in de verte een kiosk, een muziekpaviljoen, met gouden krullen en sierlijk smeedwerk waarop allerhande fazanten waren afgebeeld. De muzikanten droegen zijdekleuren kostuums. Het waren oude mannen met baarden. Toen ik dichterbij kwam stonden er mensen te wachten om vragen te stellen over hun tuin. Hoe wisten zij nou wie ik was? En net toen ik hen die vraag wilde stellen werd ik wakker.
Ik hoop dat ik morgen weer droom van dezelfde plek.
Op landgoed Den Treek in Leusden zijn 160 stammen van dennenbomen gevonden van 12.900 jaar oud.
In de Stemwijzer staat als stelling Nr. 14: Nederland moet de grenzen sluiten voor islamitische immigranten.
Daar hebben 3,5 miljoen Nederlanders Ja of Neen op geantwoord. Zonder te protesteren dat het er tussen staat.
Dat noemen ze 'verlies van onschuld'. 
Als straf zou iedereen 3 keer staande het Wilhelmus moeten zingen.
Gekke Gerrit is koploper (wat een woordspeling van de krant) in het aantal krantenkoppen die over een partij gaan.
In de gure grauwheid van deze dag brengen alleen de katjes van de hazelaar enige kleur.
Fris geel en toch al wat uitgeleefd. Een bloeier in de kou.
Een aanstellerige aalscholver die meent altijd overal recht op te hebben, vliegt laf weg.
Sinatra zingt op de autoradio over het meisje uit Ipanema. Ik ken haar niet maar kan me haar wel voorstellen. Door de klank van zijn stem zie ik zelfs de plooien van haar zomerse jurk.
Het moet daar mooi weer zijn.
De aalscholver keert weer terug naar zijn plek, nadat ik weg ben. Hij zal zijn vleugels openslaan om ze te laten drogen in de wind.
Een man fiets voorbij, de ellebogen breed uitstaand en de handen aan het stuur. Ook zijn knieën wijken uiteen als ze ronddraaien. Hij fiets niet, hij trekt en duwt. Alsof hij achter alle dijken tegelijk wil geraken.
Alles is altijd waarheid als je er in gelooft. Zo hou ik mezelf voor de gek.
Aan de rand van de weg zit iemand in zijn tractor te slapen.
De premier praat over iets. Ik hoor hem via de radio en zie hem er bij kijken. Glimlachend en geknepen oogjes achter de brilglazen. Verkeerde das zal vanavond blijken tijdens het Carrédebat.
Gek dat het zachte gele stuifmeel dat zo verwaait in de wind, straks in de herfst zulke harde noten zal geven.
Er is de laatste tijd iets merkwaardigs aan de hand met het woord inspiratie. Meer en meer wordt het woord misbruikt en gebezigd als men een of meerdere voorbeelden van iets laat zien:
‘Ik laat u tot slot van mijn presentatie enkele voorbeelden zien die u ter inspiratie kunt gebruiken’… of,
‘Als inspiratie voor mijn kerststukje heb ik een foto gebruikt van de etalage van een Engels warenhuis’…of,
‘Ik zoek mijn inspiratie voor mijn bloemenborders in de ontwerpen van Mien Ruys’.
Hetgeen men eigenlijk bedoelt te zeggen is dat men iets namaakt. Mijn voorbeeld was… of ik heb iets gemaakt naar het model van… in navolging van het patroon van…
Maar inspiratie, dat is heel iets anders. Inspiratie is iets wat men tot zich neemt, wat men inademt zoals frisse lucht of een hemelse geur en vervolgens de hersenen aan het werk zet, ze wakker maakt die grijze hersencelletjes, ze stimuleert die plompe hersenmassa, ze zacht masseert en kneedt, lokt om naar buiten te komen, verleidt om een stapje in een andere richting te doen…want daar…pats, als een klap in het gezicht ontvangt men dan opeens het nieuwe inzicht, het andere denkbeeld, de verjongende voortgang. Pats, ineens weet men hoe iets gemaakt, gezegd, gedanst of getekend moet worden. In niets lijkt dat wat men maakt of schrijft op datgene wat daarnet de inspiratie heeft gebracht, niets doet vermoeden dat dit droeve liefdesgedicht het gevolg is van een magnifiek gebouw, dat de samenstelling van deze wonderbaarlijke bloemenborder het gevolg is van een pianosonate van Beethoven of deze organisatiestructuur van de reclamecampagne is ontstaan na het zien van enkele schilderijen van Kandinsky. Dat is wat echte inspiratie doet. Het doet bewegen, het doet veranderen, het doet leven. Inspiratie is geen voorbeeldenboek of geen gebruiksaanwijzing. Inspiratie is geen handboek waarin staat hoe men in een twaalfstappenplan tot een oplossing kan komen. Inspiratie is alleen brandstof, geen wegwijzer of routeplanner. Jammer voor al die mensen met zo’n ding in de auto: uitslopen zou ik zeggen en gewoon ergens stoppen om de weg te vragen.
Vandaag was er een Open Lesdag, om mensen te laten kennis maken met |het ontwerp instituut|. Met wat we zoal doen en vooral met de manier waarop we dat doen. Want het zijn geen gewone lessen, zoals in de reguliere opleidingen. Maar dat allemaal beschrijven klinkt al snel een beetje pretentieus, dus nodigen we de mensen gewoon uit om een dag mee te draaien. Gratis. Dat is wel zo zinvol.
Op het einde,als toetje, heb ik verteld over het JP Thijssepark in Amstelveen. Een soort analyse gegeven.
Jac. P. Thijsse was een onderwijzer en biologieleraar, de man die Nederland naar de natuur leerde kijken. In een van zijn beschouwingen over de natuur schrijft Thijsse in het jaar 1928 in de Groene Amsterdammer: ‘De lente komt het eerst bij de huizen, en de bewoonde wereld.’
Thijsse was een man voor en van de natuur en het gaat hem niet van harte dit te schrijven, maar hij geeft dit punt op het scorebord ruiterlijk aan de cultuur. Even verderop schrijft hij het nog duidelijker: ‘...instinctmatig verlangen naar de lente wordt het eerst en duidelijkst vervuld door wat er leeft bij onze woningen.’
Het zijn schijnbaar slechts een paar onschuldige en korte notities, maar ze kwamen van een groot man, een ziener. Hij was de man die Nederland liet kennismaken met de natuur. De communicator, de verteller, de leraar, de aanwijzer. Hij sprak zoals niemand dat voor hem had gedaan. Hij wist ieders aandacht te vestigen op de kleine verschijnselen in de natuur die de grote mysteries verhelderen. Hij was een soort serieuzere Godfried Bomans, maar beperkte zijn onderwerpen tot de natuur.
Er waren de afgelopen week twee dingen die ik niet heb verteld en waar ik toch lang bij stilgestaan heb. Een mooie en een droevige.
De mooie was de ontdekking van een woord dat ik nog niet kende. Nochtans was het een heel simpel woord, dat ik zo zelf zou kunnen bedacht hebben, dat al lang bestaat en dat ik toch nog niet bewust tot me had laten doordringen. Op de radio in Vlaanderen sprak een mevrouw over waterglad.
‘Pas op in het verkeer, zo zei zij, want de wegen zijn hier en daar waterglad’. Wat een woord, wat een eenvoudige schoonheid. Zoals adempauze of winterkou of sneeuwduin. Van waterglad komt watergladheid, wat gewoonlijk aquaplaning wordt genoemd en dat is helemaal niets, dat is geen mooi woord. Ook geen duidelijk woord. Maar waterglad wel, dat begrijpt iedereen meteen. Open en eerlijk.
Zo was ook de overleden Beatle George Harrison, open en eerlijk. Hij zou afgelopen zaterdag 74 jaar geworden zijn. Soms, als ik wel eens een beetje droevig ben, dan zet ik een van zijn songs op en dan voel ik me beter. Want die hebben allemaal zoveel droefheid in zich, dat die van mij in het niets valt.
Vandaag ben ik wat van mijn apropos geraakt. Met andere woorden, ik ben de draad van het verhaal kwijt. Niet de kluts, dat jullie dat niet denken, oh neen, alleen maar de draad. Van mijn verhaal dus. Een oude uitdrukking die niet meer zo gebezigd wordt: ‘van zijn apropos raken’.
Eenmaal de draad kwijt, dan schiet je er ook niet meer in. In het verhaal dus. Vaag weet je nog wel waar het over ging, maar de sfeer klopt niet en de personages zijn verkeerd. Je dacht dat het mooi weer was maar het mist en sijpelt. Je moest iets doen maar je bent vergeten wat en alles wat je toch doet blijk je gisteren al gedaan te hebben. De telefoon gaat niet over, net alsof het zondag is. Via de e-mail of de andere media komen geen berichten binnen. Toch wel een spammetje zeker? Nee? Geen Japanner die vraagt of ik Cheap Viagra wil hebben of iemand die me een valse Rolex aanbiedt? Geen plastic palmen in de aanbieding die je geen water hoeft te geven of geen zes namaak barkrukjes van een Frans ontwerper voor de prijs van twee? Niets, niemand kent mij. Alles is leeg. Geen Kamerdebat op de televisie, geen wielrennen of schaatsen.
Kent iemand dat gevoel? Het lijkt of alles zich een centimetertje naar opzij verschoven heeft waardoor het er anders uitziet en vervreemdend overkomt.
Vond ik dat gisteren een goed idee? Onmogelijk!
Wou ik dat ontwerp in die richting aanpakken? Belachelijk!
Is dit het begin van die tekst die mijn diepere gevoel zou uitdrukken? Kinderachtig!
Je weet dat je eigenlijk je jas moet aantrekken en naar de bioscoop gaan, want er is niets dat hier nog zal helpen. Maar het is nog te vroeg op de dag om al een geopende bioscoop te vinden en wat zouden de mensen zeggen die je tegenkomt en ter begroeting vanuit de verte een arm zwaaien terwijl ze roepen: Dagje vrij Lafaille?
Dus maar weer aan het koffiezetapparaat, maar weer eens naar buiten kijken, maar weer eens dat nieuwe boek ter hand genomen dat er interessant uitziet maar waar ik al niet meer van weet waarom het hier ligt.
Ik ben jaloers op de kinderen die simpel kunnen zeggen: ik wou dat het al morgen was.
Als plant hoort de wilg (Salix) bij de houtachtigen, als bloem bij de katjes. Het voorjaar zal zo zoetjesaan wel eens beginnen, maar het oog ziet nog niet zoveel gebeuren. In de grienden is het hoogseizoen. Hoewel de wilg tot de bomen behoort zullen we de wilgentenen tot de planten rekenen.
De vers gesneden twijgen, wilgentenen genoemd, liggen opzij in bussels gestapeld, wachtend om vervoerd te worden, de kale stobben staan klaar om uit te schieten. Binnen een maand zijn de slapende knoppen van binnenuit het hout uitgelopen en ziet alles weer wonderlijk groen.
De naam wilg komt waarschijnlijk van welaga, het Germaanse welig, draaien, winden; de wetenschappelijke naam Salix komt van het Latijnse salax, hetgeen weelderig of geil betekende. Een heksenboom dus. Tegen de sterke seksuele aandrang en geilheid van een man gaf begin 1700 de Duitse arts Hellwig zijn patiënten wilgenblad met suiker om op te kauwen.
Salix viminalis,de teen- of katwilg, is de meest aangeplante in de grienden. Men spreekt in de griendcultuur in de soorten van Belgisch rood, Frans geel, Hengeloos zwart of witte wilg; in de tuinenwereld heerst de romantiek van gekrulde wilg, katjeswilg, bandwilg of goudwilg. De wilg is ook medicinaal te gebruiken. De bast bevat asparaginezuur en dat werd vroeger op kneuzingen gelegd om pijn te verzachten. Wilgenbastthee verzacht ook de pijn en dempt de koorts. Koeien, schapen en geiten zijn dol op wilgentakken vermoedelijk door de asparagine welk zoet en verdovend is.
Meer en meer ziet men de kleurige bundels decoratief toegepast in de tuin, als een verwijzing naar een grootse en wilde natuur. Geil dus.
Rosse roest / Rode rust
Gulle gele / Groene grienden
Bleke blauwe / Bruine blote
Goude moude / Roze raasde
Kouwe blauwe / Gele goede
Zwoele zwarte / Bleke rooie
Zoenelijke groenen / Witte wikke
Grijze lijpe / Oranje Wanje
Slurpend purper /Grommend glimmer
Wie staat er ons zo te verleiden in de tuinen en de parken, ja soms wel eens onverwachts in een bos? Het is de Galanthus nivalis, het sneeuwklokje. Eigenlijk heet het plantje in het Nederlands ‘gewoon sneeuwklokje’, maar dat zegt geen mens. Want dat is toch geen naam: gewoon? Dit bloempje is toch helemaal niet gewoon? Als dat gewoon is, wat zou er dan bijzonder zijn? Dat zou ik wel eens willen weten. Juist, zoiets bestaat niet en als bijzonder niet bestaat moet gewoon ook niet bestaan.
Want is het sneeuwklokje an sich al niet heel speciaal? Zoals het daar staat, broos en teer, met het bloemhoofdje verlegen omlaag, als een schuchter elfje? Misschien durven ze zich enkel te laten zien omdat ze met zoveel te voorschijn komen, nooit alleen. Ze staan daar zo kwetsbaar. En maken ze ons juist met die verschijning daarom niet zo blij vanbinnen? Blij van zoveel schoonheid en betovering?
Hun naam alleen al staat voor pure toverkracht. Galanthus, dat hoeft geen betoog. Nivalis, hetgeen in Latijn in of bij de sneeuw of sneeuwachtig betekent. Want daar ziet men ze wel eens staan, tussen de sneeuwvlokken omhoog groeiend naar het eerste zonnelicht. Toch komen ze oorspronkelijk uit Zuid Europa en zijn ze hier pas sinds de 18de eeuw te vinden. De ‘gala’ (melk) – ‘anthos’ (bloem). Met hun glasheldere bloemetjes, als klokjes zo verfijnd. De Nivalis, als de naam van een wonder.
Met het ouder worden, wat onherroepelijk hoort bij een verjaardag, wordt de mens zich alsmaar meer bewust van de vergankelijkheid van het leven en de snelheid waarmee dat voorbij vliegt. Voorbijvliegen is goed gezegd, want het lijkt soms wel of het buiten mij staat en doet wat het wil. Alsof ik er zelf niets aan kan doen of veranderen. Ik sta er bij en kijk er naar, maar beïnvloeden, neen.
Een grote wijze man die veel over dit onderwerp heeft gesproken was de Chinese filosoof Confucius. Dat is zijn Latijnse naam, want eigenlijk heette hij Kong Qiu. We hebben het dan over een jaar of 500 voor onze jaartelling, dus pakweg 2500 jaar geleden. Nou las ik vandaag dat hij pas voorbij zijn zeventigste levensjaar ietwat tot begrip kwam over het deugdelijk leven. Dat gaf mij weer moed, want eerlijk gezegd is het probleem tussen het zo snel voorbij vliedende leven en het begrijpen van dat leven en er beter van gaan handelen voor mij gecompliceerd. Je moet het leven dus leven om het te begrijpen, maar als je het vervolgens begrijpt en weet hoe het moet geleefd worden is het al bijna voorbij. Daar wordt een mens confuus van.
Ik troost me dan maar met een van de citaten die aan Confucius zijn toegedacht: ‘Kennis is slechts de briljantheid in de organisatie van ideeën. Het is geen ware wijsheid. De ware wijsheid gaat voorbij aan kennis’.
En ik dacht dat ik het net begon te begrijpen….
Heb ik verteld over mijn inspiratieding? Neen, sorry dan, ik dacht dat iedereen het al wist. Sinds een aantal jaren heb ik op mijn bureau, of op de tekentafel want het zwerft wat met me mee, een koehoorn liggen. Een echte wel te verstaan, geen muziekinstrument. Zo’n mooi gedraaid spits toelopend hoornen dingeding. Een uitsteeksel of hoe noem je dat, waar de beesten zich mee verdedigen of aanvallen. Ik vond hem een keer in guur drassig novemberweer, ergens in de polders. Zomaar opeens lag hij daar tussen het zuipnatte gras. Toeval? Ik weet het niet. Ik stond een andere keer in de buurt van Odijk in het bos met een jachtopzichter te praten en midden in het gesprek moest ik hem onderbreken, want mijn blik kreeg een reegewei in het oog, daar, tussen de bruine herfstbladeren. Een op een miljoen. Die opzichter had er trouwens goed de pest over in, want ik mocht het natuurlijk meenemen en hij had het niet gezien. Weet trouwens niet waar dat ding tegenwoordig rondslingert. Die koehoorn daarentegen is hier altijd, dichtbij, en als ik het niet meer weet en niet meer verder kan met een tekst of een tekening, dan pak ik hem even vast. Hij ziet er zo zacht uit maar is zwaar en stevig, hard en onvriendelijk. Hij staat vol krasjes op de buitenkant, wel duizend, waar de koe zich gestoten heeft, aan het prikkeldraad of een hekwerk of een andere koe. Toch, als je hem zo vasthoudt en ronddraait in de palm van de hand heeft het iets machtig, iets druïdeachtig. Het heeft eigenaardig genoeg niets doods, maar juist iets levendig alsof het zo dadelijk wat zou kunnen gaan doen. Maar dat doet het niet. Dat doe ik dan maar en leg hem voorzichtig weer op een stapel papieren. Je weet maar nooit dat er ineens toch een geest uit te voorschijn komt in plaats van inspiratie.
Nou vraag ik jullie: vandaag waaide de wind of vandaag woei de wind? Beiden, zal iedereen zeggen, beiden mag.
Maar betekent het ook hetzelfde? Is woei hetzelfde als waaide? Is woei niet veel harder waaien dan gewoon waaien?
Het riet legde zich neer in de wind. Of, het riet lei zich neer in de wind? Wat vinden jullie? Is het hetzelfde of is lei toch wat nederiger dan legde?
De wolken stoven door de lucht of steefden zij door de lucht? Het slijk drapte of droop het slijk? De meeuwen gleden of glieden? De regen beukte of bonkte?
Tja, en jullie dachten dat het alleen maar een beetje regende vandaag…
Een Chinese wijsheid vertelt dat, als je voor even gelukkig wilt zijn, je naar de fles moet grijpen. Wil je langer gelukkig zijn dan neem je een vrouw. Als je blijvend geluk wilt vinden dan neem je een tuin.
Een interessante wijsheid om over na te denken. Om voor het raam te gaan zitten en de ogen en de gedachten te laten dwalen door de tuin en te mijmeren over hoe de lente straks haar intrede zal doen en hoe alles er dan uit zal zien.
Moet het zo blijven? Zullen we iets veranderen? Iets planten, iets verplaatsen? Deze gedachten overbruggen de tijd en is tijd niet een van de wezenlijkste kenmerken van de tuin? Als een constante die steeds maar verder loopt? In een horizontale richting. En zijn de uitbarstingen van het weer en de seizoenen daar niet de verticale onderbrekingen van? Die ons wijzen op het hier en het nu? Waardoor de tuin een ontmoeting is van het horizontale en het verticale, zoals het kruis dat is?
Het is tenslotte zondag.
Gerritjan Deunk is overleden. Daar schrok ik van. Tijdens het laatste Kantinegesprek nog was hij een van de sprekers, ronduit en enthousiast vertellend over het boek dat hij samen met enkele anderen had gemaakt: Het Groot Gedenkboek. Alsof het zo moest zijn.
Hij was een enthousiasteling, een genieter; maar een genieter met kennis. Nooit zomaar, nooit oppervlakkig. Niet dat ik hem goed gekend heb, maar toch intens als het was. De ontmoetingen, de korte contacten. Een man die geliefd werd, zo hoorde je van iedereen. Een connaisseur, zeggen de Fransen. Met zijn boeken, zijn snelle anekdotes, zijn parate kennis over elke tuin of park, want hij kende ze allemaal. Dan liep hij weer verliefd met een plant rond, dan met een boek uit het antiquariaat of met een herinnering aan een reis of een tentoonstelling.
En plots is hij weg. En moeten wij verder. En dat is vreemd.
Niets is zo heerlijk als een planning maken. Dat is wat ik vandaag deed, betreffende het O’FEST welk in juni zal plaatsvinden.
In het plannen dien je namelijk te spelen met je kunnen en je willen. In een uiterst gewaagd evenwicht dien je te noteren waartoe je in staat bent en tegelijkertijd - daarin verweven - waartoe je hoopt in staat te zullen zijn. Daarnaast moet je in je planning ook opnemen waartoe je denk in staat gelaten te zullen worden, maar dat wordt al wat giswerk en dus niet meer spannend. Het kan regenen of het kan dooien. Of zoiets.
Neen, het gaat om dat tweede facet, waartoe je hoopt in staat te zullen zijn, want dat weet je dus nu, op dit moment dat je een planning aan het maken bent, nog niet. Dat is dus X plus nog wat. Die X factor, dat is voor diegenen die denken iets ontdekt te hebben in zichzelf en daar dan het uiterste uit willen halen. Brave zielen hoor, daar niet van. Maar het gaat natuurlijk om dat stuk daarachter, om die plus, wat nog niemand kent van jou en jij in de allereerste plaats niet.
Dus als ik opschrijf dat er in juni 2017 dat en dat zal gebeuren, dan is dat gedeeltelijk vanuit de verwachting van de dingen die ik al weet, aangevuld met dat wat ik nog niet weet. Maar ik moet het wel concreet opschrijven! Anders heb ik geen planning. Door het op te schrijven zal ik mij zo gedragen dat het waarschijnlijk zal uitkomen, dat wat ik vandaag opschrijf, terwijl ik het nu nog niet weet. Heerlijk.
Aanstaande woensdag 15 februari, om 19u30 in Apeldoorn een aflevering van Het Kantinegesprek. Zes boeiende sprekers en veel netwerken. Toegang is gratis en de koffie ook. Reserveer via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..
Een van de sprekers zal Jacqueline van der Kloet zijn, die vertelt over haar Royal Mile en de plannen daaromheen. Hier een ander meesterwerk van haar: de vasteplantenborder in Appeltern.