Mooie week geweest. Op een of andere manier kwamen de verschillende zaken en cursussen bij elkaar, en vormden een geheel. Gisteren over ‘de omsloten tuin’ die eigenlijk voor iets anders staat dan de dingen die men er in zal treffen. Dinsdag met een andere groepje, kijkend naar kunstwerken, werd begrepen dat ook de afbeeldingen op die schilderijen eigenlijk iets anders oproepen, dan puur louter dat wat er op te zien is. Woensdag over Mondriaan en zijn overgang van de landschapsschilderkunst naar het abstracte waar we hem van kennen. Maar toch beeldde hij nog steeds hetzelfde uit, maar dan niet wat er buiten te zien was, maar de kracht die dat opriep, omgezet in lijnen en kleurverhoudingen. En vandaag met een groep ontwerpers, werkend aan de inzending voor de volgende Plantariumbeurs in Boskoop, een omgeving zo realistisch als maar zijn kan, een grote kas van staal en glas, met daarin een beurs waar planten geprezen en gekocht en verkocht worden. Wat kun je daar laten zien als je een tuin wil laten zien? Niet de realistische weergave van een tuin, dat zou kitscherig worden en ongeloofwaardig. Maar een illusie. En hoe roep je een illusie op bij een groot publiek? Zodanig dat ze er wel in willen geloven?
Ik rij op weg naar huis zachtjes door de sneeuw met de auto en zie, daar naast mij, aan de bosrand! De snelle vlucht van de mezen. Ze hangen aan de sparrentakken, ze springen op en neer. Ze zijn wel met z’n zessen. Niet bang voor niets en niemand, ook niet voor mij. Ik stop en stap uit. Ik wandel naar ze toe. Ze vliegen op en dwarrelen weer neer, maar zijn al ginder en dan weer daar. Ze kijken nieuwsgierig naar wie ik dan wel ben, zo heel alleen onderweg in dit licht besneeuwde land. Ben ik een vreemdeling? Een Wanderer? De winter kan zo kristalhelder zijn, een winterreis zo heel veel lerend. Ik knasper terug naar de auto en vervolg mijn reis.
Terwijl ik door dit landschap verder trek, een landschap dat tegelijk zo vertrouwd en zo vervreemdend aandoet, denk ik na over woorden uit het dagboek van Schubert: ‘Verdriet scherpt het verstand en sterkt het gemoed, terwijl vreugde zich zelden om het verstand bekommert en het gemoed alleen maar week maakt.’
Gisteren in het Gemeentemuseum in Den Haag, met studenten van de cursus creatief ontwerpen. Met name ging het over ‘leren kijken’ en waarnemen. Het is een bekend verhaal: gemiddeld staan we 9 seconden voor een kunstwerk. Waarom gaan we dan naar een museum of tentoonstelling, zou je je kunnen afvragen.
 
Maar goed, daar stonden we voor ‘Het Bos bij Oele’ van Piet Mondriaan. Een groot werk van 128 cm hoogte en 158 cm breedte. Dik in de olieverf. Uit 1908, de periode dat Mondriaan overging van brave landschapsschilder naar … naar wat? Naar Mondriaan te worden, zeg maar. De verticale en horizontale lijnen werden belangrijk, overheersten en er verscheen kleur als uitdrukking. Als een expressie. De concrete en herkenbare zaken begonnen weg te vallen en hij zocht naar de wereld achter de dingen. Die wilde hij te pakken krijgen en schilderen. Bijna religieus, filosofisch. Mondriaan als filosoof, lees ik later in een boek van Jan Bor.
Vandaag, in de cursus Ontwerpen met beplanting van Sanne Horn, ben ik gastdocent en ga de cursisten vertellen over Mondriaan. Over dat een plant, een boom, een landschap, meer is dan het concrete, dan dat wat je kunt zien. En dat je als ontwerper daar ook vorm aan geeft.
Wel spannend.
De opdracht voor het tuinontwerp is een tuin die voornamelijk moet bestaan uit leifruit en rozen. De keuze van de opdrachtgever.
In plaats van een ontwerp te maken door te tekenen en te schetsen, merkte ik dat ik bezig was met schema’s maken. Allemaal vellen met schema’s van de tuin, waarop je kon zien hoe er gelopen zou worden, waar het open en dicht zou zijn, waar het hoog en waar het laag zou zijn, intiem of toegankelijk, druk of stil, kleurrijk of sober, verhalend of symbolisch, en zo voort en zo verder.
Uiteindelijk heb ik een boek vol schema’s in plaats van een tekening, het tegenovergestelde van de romantiek die normaal gepaard gaat met een tuinontwerp. Geen kleurtjes en pennetjes, geen schaduwen of arceringen. Dat bevalt me eigenlijk heel goed. Misschien lukt dat niet bij iedere opdracht, zeer waarschijnlijk niet en dat hoeft ook niet. Ik ben er steeds meer een voorstander van dat je per opdracht bedenkt hoe je het advies dat je aan de tuinbezitters wilt geven moet of dient te presenteren. Ik zou ook graag eens een roman afleveren in plaats van een tekening, maar weet nog niet goed hoe dat moet. Of een compositie indien ik wat muzikaler was, of een dans. Een stilleven van beeldhouwwerken zou ook mooi zijn.
Waarom eigenlijk altijd maar die tekening?
De wereld is een eindproduct geworden, waarin alles is en niets meer wordt. Wij bezitten als mens een zodanige pretentie dat wij de aarde en het leven, zoals die zich aan ons voordoen, beschouwen alsof zij zich in hun opperste eindstadium bevinden. Alsof er niets meer zal veranderen of kan verbeteren. Het is een gedachtegang van alle tijden, een soort bescherming van de soort. Stilstand is veiligheid en dat is wat wij als mensen zoeken. Zie de politiek van vandaag.
Deze statische situatie verschaft ons hoe langer hoe meer het privilege te denken dat wij als mens ook af zijn. John Milton schreef al in zijn tijd(1608-1674): ‘…Ze schijnen te denken dat wij op de wereld zijn geplaatst om de planten te zien groeien of de sterren te zien bewegen’.
 
Laatst hadden we het tijdens een cursus over dit onderwerp in relatie tot de tuin. Waarom zijn alle tuinontwerpen altijd af? Waarom moeten ze af zijn? Dit leidt slechts tot consumptief gedrag van de tuinbezitter die nog enkel kan zitten of rondlopen. Hij mag vooral nergens aan komen en zeker niets veranderen. Want het is ontworpen. Het is een tuin ‘onder architectuur’ staat er in de advertenties van makelaars.
Hierbij een oproep tot verandering, tot het verbreken van die stilstand. Want consumptief gedrag is menselijk gesproken niet erg interessant, omdat daarin zo weinig van de persoonlijkheid is terug te vinden. Men doet niet iets, men ondergaat slechts. In het doen zit een element van creativiteit en dus van ontwikkeling. Het consumeren is nagenoeg alleen en uitsluitend een lichamelijke bezigheid. Het is het uiterste niet-benutten van vrijheid die ons als mens is gegeven (of die wij zelf hebben bereikt).
En het zou toch wel tragisch zijn als de mens, op het moment dat hij (schijnbaar) eindelijk de vrijheid heeft verworven, niet in staat zou zijn daar gebruik van te maken.
Morgen is de Stand Up Plant Show, waar een 15-tal ontwerpers en hoveniers en vakgenoten uit het groen ieder een cabaretesk nummer zullen opvoeren van een 15 minuten, handelend over een plant. Ik geef het u te doen. Over Trump gaat dat nog, over Rutte ook, over Wilders zeker en over Pechtold is het te verzinnen. Maar over een plant… Een verhaal, een insteek, een benadering. En dat dan in een humoristisch sausje, vertellend als een figuurtje, een typetje, een karaktertje.
 
Het wonderbaarlijke is dat deze mini marathon, die bij elkaar een hele dag duurt (terwijl het publiek van honderd mannen en vrouwen op krakkemikkige houten stoeltjes moet blijven zitten), het vakgebied een nieuwe dimensie zal geven. Want een plant is niet slechts meer een decoratief element, of zelfs niet enkel een levend wezen die de bouwelementen vormen van het ontwerp, neen, de plant wordt een verhaal, een gedachte. Misschien wel een herinnering of een kracht, geneeskundig, mythisch, religieus. Vanuit het volksgeloof, de overlevering, de historie. Wat valt er wel niet te vertellen over planten, hoe rijk is niet hun achtergrond. Daardoor zullen ontwerpers anders aan tafel zitten met hun opdrachtgevers, een extra laag aan de tuinstructuur kunnen toevoegen. Wat een mooi beroep.
Iets verderop, een paar honderd meter van hier, bij een van de rotondes, ligt een oude boerderij. Een huis staat, een boerderij ligt. Daar staat een grote spar in de voortuin, een geweldige joekel. Elk jaar in de kerstperiode hebben de bewoners die boom versierd met kerstlampjes. Daarvoor laten ze een hijskraan komen, om die snoeren te kunnen optuigen. Moet veel geld kosten. Maar iedere keer als ik daar langs rij, springt mijn hart en geest op van blijdschap. Wat een feest, wat een vreugde. Nu is het natuurlijk alweer een tijdje voorbij, en kan ik niet wachten tot de boom in november weer zal staan schijnen.
Toch heb ik die mensen niet bedankt voor dat cadeau. Bij deze dus.
Eigenlijk zouden we bij alle tuinen die we onderweg tegenkomen en die iets bijzonders hebben, moeten aanbellen om de bewoners even te bedanken voor al dat moois wat ze ons bieden. De bloesem of de herfstkleur, de bloemenborder of de fontein. Voor al dat wat wij ook kunnen zien en mee van kunnen genieten. Dat zou de wereld een stuk prettiger maken, in plaats van dat er vanavond weer zeven miljoen naar een of ander dom televisieprogramma hebben zitten kijken.
Als zaken gesloten zijn die je normaal alleen maar geopend kent, dan ontstaat er een wonderlijk prikkelende sensatie. Denk maar aan de achterkant van de circustent, waar normaal niemand mag komen. Of aan de kermisattracties die verregend onder hun zeilen doek staan te wachten tot het avond wordt en alle lampen aanfloepen en de muziek weer zal weerklinken. Of de ruimte van een leeg toneel, waar slechts enkele neonlampen branden, in afwachting van de acteurs die zo meteen komen repeteren.
Zo was ik onlangs in ‘De Tuinen van Appeltern’ voor een vergadering, ter voorbereiding van iets wat straks in het voorjaar komen zal.
‘De Tuinen’ was gesloten, winterstop. Het park moet ik zeggen, want zo noemen de medewerkers het, en geef toe, dat klinkt toch iets plezieriger. De paden lagen er verlaten bij, een palmboom waaide bijna omver, een reuzegrote vaas stond ingepakt, de tuinstoelen stonden omgekeerd op tafels. Winterstop. Geen bloemetje te bekennen, geen kleurtje te zien. Ja, nog een verdwaalde kerstbal die was blijven hangen na de kerstfair. Ik stapte door de plassen.
Toch straalde er een grote aantrekkingskracht uit al die dingen die in afwachting waren van het mooie weer, om straks de mensen te vermaken, om mooi te zijn, een voorbeeld, een inspiratie. Als ik tijd had gehad was ik er gaan wandelen om mooie treurige gedichten te schrijven die dan door Yves Montand gezongen hadden kunnen worden. Maar ja, ik moest naar die vergadering …
Midden op het trottoir zat een mus. Een Passer domesticus.
Het was een heel gewoon trottoir en een heel gewone mus. Een huismus, bruin en wit van kleur met zwarte strepen op de mantel en de schouders, zwart op de kin en grijs op de bovenkop. Als je goed keek zag je ook een smal oogstreepje of verbeeldde ik me dat maar? Hij had de kop wat tussen de schouders gestoken leek het wel, in die typische houding van de mussen en keek me roerloos aan want hij vertrouwde de zaak duidelijk niet. Tot daar en niet verder, leek hij te willen zeggen want hij wist natuurlijk niet wat ik van plan was. Doorstappen of omdraaien?
Het trottoir bestond uit de zo bekende en algemeen verfoeide 30 x 30 tegels in grijs beton. Nou ja, ooit grijs geweest want nu waren ze grauw en groezelig. Zonder glans lagen ze daar netjes naast elkaar, als voor eeuwig, nog net zoals ze ooit gestraat waren, maar dan zonder verleden. Om de paar meter veranderde de grijze tint naar gelang hoe ijverig de huisvrouwen van de aanliggende huizen in de loop der jaren hun stoepje hadden geveegd. Hier en daar lag een sigarettenpeuk en overal waren de onvermijdelijke platgetreden kauwgomplekken te zien. Het was niet zo’n belangrijk trottoir, in een niet zo belangrijke straat. Gewoon voor de mensen die hier woonden.
De mus bewoog door kort te hippen met een wippende staart. Misschien zes centimeter, meer niet. Hij bleef me aankijken en bewoog plots met een snelle brutale draai het kopje naar links alsof hij wou zeggen dat ik die kant uit moest. Een luide tjilp volgde. Ik wou iets zeggen in de trant van let maar niet op mij, ik woon ginder en moet even voorbij maar besloot dat toch maar niet te doen. Hij kon het misschien verkeerd begrijpen. Alsof het niet van belang zou zijn dat wij elkaar hier tegenkwamen. Alsof ik niet vereerd was om weer eens een mus te zien, een huismus. Noemde men Edith Piaf ook niet liefkozend de mus? Maar dat wist de mus niet. En dat ze weer de meest gespotte vogels van Nederland waren, dat wist de mus ook niet.
Het was maar een heel gewone mus op een heel gewoon trottoir.
Naarmate de wetenschap vooruitgaat lijkt de macrokosmos alsmaar groter te worden en de microkosmos steeds maar kleiner. De wonderlijke wereld van het atoom en de al even mysterieuze wereld van het heelal liggen beide ver buiten ons dagelijks leven, maar toch zijn wij onlosmakelijk verbonden met die twee uitersten. Wij mensen vormen er als het ware de schakel tussen en dit besef houdt ons in evenwicht. Wij houden van het evenwicht dat die mysterieuze spanning tussen groot en klein veroorzaakt. Deze spanning zet zich om in een potentiaal die ons energie geeft.
Hetzelfde is het geval in de tuin. De balans tussen de verschillende eenheden waaruit de tuin bestaat zal bij ons een harmonieus gevoel oproepen. Wanneer dit verbroken wordt zal de rommeligheid ervan ons storen of de leegheid ervan als ongezellig overkomen. Dan lijkt het wel alsof we alle grip op de tuin kwijt zijn. Moeten we het ontwerp herzien, vragen we ons vertwijfeld af? Meestal is het niet aan het ontwerp te wijten. De lijnen kloppen, alle wensen en eisen zijn opgenomen, de favoriete planten erin verwerkt… wat is het dan toch? Het lijkt wel of er iets ontbreekt? Juist, vreemd genoeg is het een gebrek aan spanning dat ons dit ongrijpbare gevoel bezorgt. Er is teveel van iets of er is juist te weinig van iets. Andersom gezegd, er is te veel van niets of te weinig van niets. De balans tussen groot en klein is verstoort en het allerkleinste en het allergrootste gaan niet samen op in hetzelfde geheel.
Zo is het alweer midden in de nacht geworden. De hele avond zitten werken aan de les voor ‘Creatief Ontwerpen’ over de schoonheid van de ruimte. Je kunt je voorstellen dat men zich daar de kop over kan breken.
Er is zoveel over te vertellen, over het zien ervan, het ontdekken, het bewust ernaar kijken. Dan pas, hoe de ruimte kan gemaakt worden, hoe te ontwerpen. Welke middelen staan er ter beschikking als gereedschap.
Veel, heel veel voorbeelden laat ik zien om alles te verduidelijken. Beelden uit de hele wereld, althans daar waar ik al geweest ben.
Hoop dat ik er zelf niet in verloren loop, want het is geen eenvoudig onderwerp, het heeft geen tastbare of wetenschappelijke limieten of gegevens. Alles blijft toch voor een groot deel in het intuïtieve bestaan.
Dat maakt het misschien juist zo spannend om het af en toe, hier en daar in het echt te ontwaren. Zoals dat gebeurt bij een onverwachtse ontmoeting met een ree in het bos. Die ene seconde dat alles stilstaat, waarin alles bestaat, vlak voor het dier wegspringt en ikzelf naar het fotoapparaat grijp. Die ene seconde, dat is de waarheid.
Vanavond zag ik het weerbericht voor Europa en dat moet ik niet doen. Ik weet op voorhand dat als die kaart in beeld komt en er vervolgens iemand naast gaat staan en van de verschillende plaatsen die worden aangeduid vertelt wat voor weer het er zal zijn, dan ben ik reddeloos verloren.
Melancholie heet dat. Een weemoedig verlangen op die plaatsen te zijn en er het weer mee te maken met de mensen die ik er ken. Dat hoeven geen intieme vrienden te zijn, een ober van een restaurant waar ik eens gezeten heb is al voldoende. Ik herinner me die mensen terwijl het weerpraatje verder gaat langs de diverse steden en streken. Min tien in Stockholm, wind en regen in Madrid, licht zonnetje in Palma, te koud voor het seizoen in Turkije, mist in Venetië, sneeuw in Hamburg.
Wat maakt die verscheurdheid van het gemoed het leven toch dragelijk.
Het is tijd om de rozen te snoeien. In de oude tijden deed men dat in de lente, maar meer en meer heeft de overtuiging dat het beter is om ze in januari aan te pakken, veld gewonnen. Die snoei is zo broodnodig om weer energie in de plant te brengen, voor straks, als alles weer zal schieten en scheuten. Toegegeven, de warme dagen eind februari kunnen gevaarlijk zijn, omdat de roos zou kunnen beginnen met uitlopen en er toch nog enkele koude vriesnachten volgen. Dan moet er weer wat bijgesnoeid worden en zal de plant van voren af aan opnieuw beginnen. Het is beter de rozen in de winter en de zomer te snoeien dan in de lente, als de sapstromen aan het stuwen zijn. Alle dode hout moet eruit en de takken die vorig jaar gegroeid zijn, terugsnoeien tot ongeveer 1,2 á 1, 5 meter. We praten hier over de klimrozen. Kijk bij alle rozen vooral naar de voet van de struik, of die goed luchtig is en niet verstikt wordt door allerhande takjes en blaadjes. Snoei alle oude takken terug en ook die te weinig blad en bloem hebben gegeven. Als u goed hebt opgelet weet u nog welke takken het zijn die zijn doorgeschoten, en wel blad maar geen bloem gaven. Die gaan we vrij zetten want die zullen in de toekomst de nieuwe romp van de struik vormen. Gebruik goed stevig touw - er is speciaal bindsel in de handel- om alles weer vast te zetten wat los is geraakt, zo dat er geen kerven in de stengels gemaakt worden en er toch voldoende gewicht kan gedragen worden. zeker bij die zware trosrozen is dat van belang.
De rest van de winter kunt u nu in stille wroeging en vertwijfeling doorbrengen met de vraag of u wel goed gesnoeid hebt, want er gebeurt natuurlijk helemaal niets de volgende weken. Dat is het enige nadeel van de wintersnoei. Als u in de lente snoeit, begint alles zo snel daarop uit te groeien, dat alle foutjes verborgen blijven. Dan leert u er echter niets van, en zult u volgend jaar weer dezelfde fouten blijven maken. Nu kunt u alles volgen en elk succes en iedere tegenvaller noteren.
De Duitse stad Essen is vanaf vandaag ‘Groene hoofdstad van Europa’. Afgelopen jaar was het Ljubljana en in 2018 wordt het Nijmegen (jaja). Hier een stukje uit een reisverhaal over Essen dat ik schreef in 2009:
 
Emotie is een gevoelsaandoening, een ontroering, een affect. In het Duits klinkt het begrip nog beter: Rührung, (Gemüts)Bewegung. Het klinkt niet alleen net zo mooi, maar er wordt nog iets aan toegevoegd, namelijk het element van de tijd. Het woord beweging suggereert dat er een bepaalde tijd mee gemoeid is, een tijd die verloopt terwijl men van het ene naar het andere overgaat, hoe kort of lang die ook zou zijn.
Het park waar ik wandel is aangenaam, van een verrassende eenvoud, zoals romantische landschapsparken dikwijls zijn. Aan de ene kant vindt men er een eerbetoon in de vorm van een bronzen plaquette met afbeelding van ene H.J. Stefen, Stadtgartendirektor van 1883 tot 1907. Een eerbetuiging die in niet veel parken te vinden is. Aan de andere kant verschijnt de moderniteit door de aanleg van grote nieuwe borders met telkens dezelfde bloem. Honderden en honderden. Een sterk gebaar als hulp voor de romantische vormgeving die, nu de bomen wat ouder worden en de fontein niet zo veel indruk meer maakt, in een hedendaagse stad niet meer overeind blijft staan met enkel wat tulpen en narcissen als dienaressen. Indrukwekkend is de aanwezigheid van de vele en heftige beeldhouwwerken van onder andere Richard Long, Ulrich Rückriem, Klaus Simon, Stephan Huber, Max Bill, James Reineking of Richard Serra. De meeste liggen of staan in het park, enkele in de directe omgeving. Ze maken de zintuigen los en verheffen de geest, die in combinatie met het groen een wereld toveren waar ik graag wat langer in zou willen blijven.

Vandaag met Angela Warmerdam en Jacqueline van der Kloet onderweg in Apeldoorn, waar we spannende dingen gaan doen. Binnenkort vertelt Jacqueline er meer over....

Onder de brug stonden drie paardjes. Ze hadden alle drie dikke buiken. Zo dik dat ze opgezwollen leken. Zoals alleen paardjes dikke buiken kunnen hebben. En beren. Bruine beren, die hebben ook dikke buiken. Van het eten. En stekelbaarsjes, die ook, vlak voor ze hun eitjes gaan leggen. Dik en rond. Iets doorzichtig.
Witte runderen in India hebben dat ook, alleen niet doorzichtig, eerder leerachtig. Ronde buiken, vooral rond. Dik en rond. Wel van die hangende lellen in de hals. Zoals oudere mannen. Onze zwart-wit koeien kunnen ook wel eens dikke ronde buiken hebben, zeker aan de zijkanten. Alsof alles op uiteenspatten staat. Heel anders dan hun uiers. Die ontploffen meer. Als ze zouden.
En geiten ook, niet de uiers maar de buiken. Alsof ze zo’n Russisch poppetje zijn met een ander Russisch poppetje erin die dan ook weer een Russisch poppetje… Je weet wel. Als hamsters dat hebben is het niet goed. Dan zijn ze ziek en gaan ze dood. Met dikke buik en al. Net zoals mijn poes, die is ook dood. Maar die had geen dikke buik.
Peren hebben ook dikke buiken, maar dat is juist goed en lekker en gezond. Voor ons.
Enfin, die paardjes die onder de brug stonden…