Gek genoeg ben ik even de poëzie kwijt. De afgelopen dagen met het sterke en oeroude symbool van het kerstfeest, de geboorte, het nieuwe jaar, de verbranding van het oude, het wegschieten van de boze geesten uit de lucht met het vuurwerk, het opruimen van de zolder, het afbreken van de kerstboom, het familiebezoek, de oliebollen, de drie Koningen en al die andere wereldse dingen, ben ik in een soortement aardsheid gezakt waaruit alle poëtische nuances zijn verdwenen.
Gezakt, ja zo voelt het. Niets negatief, maar even onderuit, aards, de trage klei. Alsof poëzie hemels zou zijn? Of zou het door de kou komen dat de geest zich sluit en niet de lucht in wil om het hogere te zoeken, de verfijning, de verklarende details. Dat we teveel bezig zijn met verkleumde vingers en dikke sjaals, hoeden en petten. Het gekras van de sleeën op de trottoirtegels, de geheimzinnige doorgangetjes tussen het okerbruine riet, de stille mist die in de straten hangt. Toch poëzie?
Het grappige van veel websites over tuinen, die normaal doorheen het jaar bestaan door het geven van tips en adviezen voor uw tuin, is dat zij deze dagen niet veel te vertellen hebben. Er is met dit weer, in de volle diepe winter, eigenlijk helemaal niets te doen. Ergo, men mag zelfs helemaal niets doen. De kans dat het zal vriezen is groot, dus als u nu gaat snoeien is dat gevaarlijk. Zelfs de rozen, van wie meer en meer gezegd wordt dat ze in de winter en niet in de lente gesnoeid moeten worden, blijven een groot risico. Als u snoeit maakt u een wonde en als het kouder wordt dan vriest die wonde in, met alle gevolgen van dien. De grond zal te hard zijn om erin te werken of om nu al iets aan te planten. Misschien een fruitboom, maar ik zou het niet durven.
Dan maar raad geven dat men deze tijd moet gebruiken om eens goed na te denken over de tuin, veranderingen op te schrijven of uit te tekenen; genieten van de wintergroene structuur en de bessendragers; enzovoort. Als tuinliefhebber zou ik mij enerveren aan dat soort raad, maar de winkel moet nou eenmaal draaien. Mijn achterbuurman heeft het beter bekeken, die zit in de winter in Spanje en komt zo tegen april terug om dan tot oktober hier in zijn tuin te werken. Die ligt er zo perfect bij dat hij zelf rustig weg kan, want zegt hij zelf, 'Ik zou hem (de tuin) alleen maar kapotmaken door er in te blijven werken gedurende de wintermaanden'. Iets wat men nu ook overal leest, is dat er niet op het gazon mag gelopen worden als het vriest of sneeuwt. Dat gaat wel heel ver. Wat is er nou mooier dan met de kinderen of kleinkinderen, maar nog veel mooier alleen met jezelf, een grote sneeuwpop te maken door enkele grote sneeuwballen te rollen. Liefst dwars over het gazon en nog liever kriskras diagonaal eroverheen. Wees gerust dat het in de lente weer allemaal opnieuw zal gaan groeien en dat u die geknakte sprietjes die ondertussen bruin geworden zijn, er gewoon afmaait, terwijl u Chanson d’amour ratatatata aan het zingen bent en de mollen maken dat ze wegkomen. Hopelijk sneeuwt het weer snel.
Vanochtend hoorde ik op de autoradio een stuk van Johann Sebastian Bach, de Cantate BWV.65, ‘Sie werden aus Saba alle kommen’. En als ik u zeg dat Saba in Ethiopië ligt, en dat ‘ze’ daar vandaan komen, dan weet u meteen dat het over de Drie Koningen gaat. Ja, want het was 6 januari, Driekoningenfeest, van oudsher een feest uit de christelijke traditie. Op die dag kwamen volgens de bijbel de drie koningen uit het oosten aan bij de stal van Bethlehem waar het kind Jezus was geboren. Balthazar gaf Jezus mirre, een parfum waarmee doden werden ingewreven, om aan te geven dat Jezus zou lijden en sterven. Van Melchior kreeg Hij goud, ten teken dat Hij de Koning der Koningen zou zijn. Kaspar bracht wierook mee, ten teken dat Jezus zou worden geëerd. Zij waren niet alleen de drie koningen, zij waren de drie Wijzen.
Deze feestdag is in sommige landen in de loop der eeuwen uitgegroeid tot een kinderfeest. In Spanje bijvoorbeeld krijgen kinderen cadeautjes van de koningen, in andere landen lopen de kinderen verkleed als koningen al zingend langs de deuren om snoep te bedelen. Zo ook ik vroeger. Ik zie nog de goud geschilderde kartonnen ster op een stokje voor me en ik ruik de rood fluwelen doek die als mantel diende.
In het deel van Nederland waar ik nu woon wordt dit feest niet gevierd en ik moet toegeven dat ik het mijn kinderen ook niet heb bijgebracht. Sterker nog, ik was het vergeten, tot vandaag. Toen ik die muziek van Bach hoorde moest ik opeens terug denken aan de boon die vroeger verstopt zat in de speciaal gebakken taart die mijn moeder maakte. Wie de boon in zijn stukje taart vond, door er op te bijten natuurlijk, die was koning en kreeg een papieren kroon opgezet. Dat was echt kinderfeest, daar kan geen Bach tegenop.
Gisteren gaf Simen Brunia als gastdocent les tijdens de cursus ‘Ontwerpen met beplanting’. Simen is boomtechnisch adviseur en bomenkenner en volgens zijn eigen zeggen, een fanatiek bomenfan. Alles is boom bij hem, alles staat ten dienste van de boom. Waar wij een aangenaam weertje opmerken, ziet hij de jonge blaadjes aan de takken ontluiken. Waar wij de opzwaaiende zomerjurken in het stadsbeeld zien verschijnen, bewondert hij de aanplant van een nieuwe straatboom. Waar wij het silhouet van Sinterklaas of de Kerstman op de daken menen te ontwaren, raadt hij aan het takkenspel welke boom er boven de daken uitsteekt. Ik hou ook van bomen, maar hij gaat veel verder. Hij was misschien wel het liefst als boom geboren. Of toch niet, want dan had hij niet kunnen spreken en niet kunnen vertellen over de bomen.
Toen ik nog klein was, een jongetje nog, liep ik iedere dag naar school. Mijn school lag in een park, met grote gazons en veel oude bomen. Elke dag moest ik naar school en liep ik dus door het park. ’s Ochtends vroeg en op het middaguur terug naar huis om te eten en dan weer retour om ’s namiddags weer naar huis te gaan. Dat waren vier verleidingen per dag. Vier keer was ik in staat, als kleine jongen al, om het dagelijks leven van plicht en dwang, van orde en regelmaat te verlaten en onder te duiken in de wereld van de bomen. Ze werden mijn vrienden, die bomen. Ik herinner me er met name drie, drie individuen waarvan ik me vandaag afvraag of ze er nog zouden staan. Ik heb zin om de auto in te springen en in snelvaart naar Antwerpen te rijden – want daar was het – en ze te bezoeken. Het moet, ik wil het weten. Maar tegelijk weet ik dat dit verlangen onwezenlijk is en onbevredigd moet blijven.
Het was een hele oude grote Libanese ceder, zilverblauw en ongelooflijk breed gevormd met horizontale takken. Monumentaal stond hij aan de overkant van het grasveld waar ik langsliep. Daar liet hij zich bekijken. Hij wist dat hij mooi was. Hij wist dat wij, ik en mijn vriendjes, naar hem keken. In die hoogmoedmakende uitstraling stond hij daar.
Dan was er een beukenboom. Ik heb hem nooit helemaal kunnen zien want hij stond ingesnoerd tussen andere bomen. Donker en geheimzinnig aan zijn voet. Ik kroop rond zijn stam op zoek naar nootjes want die leken er altijd wel geweest te zijn. Ik zie de glimmende roodbruine nootjes nog in mijn hand, driehoekig en hard. Eens ontpelt zat er nog een bitter wattig vliesje rond het nootje, dat het tegelijk lekker en vies liet smaken. Ik heb een keer een dode merel gevonden aan zijn voet en ben daar erg van geschrokken. Ik herinner mij nu nog de schrik en tegelijk ook de merkwaardige verbazing die ik toen voelde over het feit dat ik wist dat het een merel was.
De derde was een paardenkastanje. De wilde kastanje noemden wij hem, want je had een tamme, verderop, en deze wilde. Daar rook het altijd lekker, naar humus en grond. Parkgrond. Als ik het woord park denk, dan ruik ik die grond. Daar is toen mijn liefde voor de bomen begonnen, door die drie vrienden die ik had. Maar dat heb ik Simen allemaal niet verteld.
Het gebeurt wel eens dat als ik in de avonduren een stukje zit te schrijven voor dit weblog, buiten het geluid van voorbijvliegende ganzen is te horen. Het is een klank die tegelijk mysterieus en vertrouwd is. Het feit dat ze vliegen geeft mij vertrouwen, want als zij weten waar naar toe, dan zal er ook wel een waarom zijn en dan is het goed. Dan zit er orde en systeem in de dingen en dan kan ik rustig doorgaan met typen, want dan zal dit ook wel een zin hebben. Tegelijk maakt dat overvliegen en dat geluid erbij mij ook nieuwsgierig want waarom vliegen ze over, waarom gakken ze naar elkaar? Of naar de wind? Of naar diegene waar ze achteraan vliegen? Zou er misschien iets zijn, iets waarvan wij niets weten?
Boven die twee gevoelens uit, maakt het geluid dat zij maken mij een beetje droevig, ietwat melancholisch. Want als zij vliegen wil dat zeggen dat ze vertrekken en dat heeft altijd een reden. Misschien wordt het kouder, gaat het vriezen? Er zit verandering in de lucht en de dingen zullen niet meer zijn zoals ze waren. De tijd gaat verder en komt niet meer terug. Is dat waarom het geluid van ganzen die overvliegen de aandacht trekt, omdat het attendeert op het begrip tijd. Gek genoeg doet een zwerm spreeuwen dat niet en die kunnen toch ook veel lawaai maken. Meeuwen, die midden in de zomer plots bij elkaar vliegen en kwaad roepen naar beneden, die hebben ook wel iets bijzonders. Meestal verandert het weer dan snel, wordt de lucht donkergrijs, zelfs zwart en gaat het donderen en bliksemen. Maar niemand die daarbij aan de tijd denkt. Maar bij de ganzen… hoor… daar zijn ze weer… of zou het alweer een andere groep zijn die de vorige achterna vliegt?
Een van de mooiste zaken die er bestaan in het leven, zijn de vermoedens. Het nadenken, mijmeren of soezen over hoe iets zal of zou zijn. Ik spreek hier louter persoonlijk natuurlijk.
Een vermoeden is iets dat men in vleugjes proeft of ruikt, iets dat vaagjes en schimmigjes wordt waargenomen in de mist van de onwetendheid, nog lang geen silhouet. Het is echter, ondanks het totale gebrek aan voorkennis dat men over dat onderwerp of persoon had, iets wat men achteraf gezien altijd al wel geweten had. Hoor hoe het klinkt: ‘Ik had al wel zo een vermoeden…’. Tja, wat kan men daar nog op antwoorden, zeker als men in alle eerlijkheid iets heeft opgebiecht of bekend en de ander antwoordt: ‘Ik had al wel zo een vermoeden…’. Het is net of het leven toch een spel is waar je maar enkele regeltjes van kent en er voortdurend andere mensen zijn die meer regels kennen, je voelt je altijd aan de kant gezet door de kennis van de ander. Nee, een vermoeden moet men niet tegenkomen, een vermoeden moet men hebben.
Een wintertuin geeft ons die vermoedens. In een wintertuin is dikwijls niets meer te zien van al die zomerse geneugten die erin plaatsvonden, van de kleuren, het licht, het leven. Wat blijft is het hard gelag. Alles is verstild tot een roerloze vaagheid die eerder afstandelijkheid weerspiegelt dan een uitnodiging oproept. En toch zijn daar de kleine details die doen vermoeden dat hier, in deze specifieke tuin waar men naar staat te kijken en die men nog niet kende, iets meer aan de hand is. Dat zijn de zaken waar de ontwerper over heeft lopen nadenken om deze plek tot iets apart te maken, iets dat tintelt door z’n indeling, door z’n aparte ‘je ne sais pas quoi’. Het is daarom goed om in deze tijd van het jaar veel rond te wandelen en te kijken naar tuinen. Men steekt er het meest van op door de dingen te zien die juist wel gelukt zijn en die stand houden in de winter.
Al is het vanavond erg waterkoud, een gelukkig 2017 toegewenst. Ik hoop dit jaar met u nog vele kleine schrijf- en leesmomenten te mogen meemaken, waarin het niet-vertelde en het niet-bekende wat extra aandacht krijgt.
Er zit een wonderlijke gedachte in het feit dat wij elkaar veel geluk wensen op dat moment van het jaar dat het er buiten, in de natuur, in de tuin, in het landschap, het minst florissant uitziet. Waarom doen we dat niet als we in zwembroek en bruingebrand op het strand rondlopen in volle besef van al dat geluk welk een onbezorgde vakantie voortbrengt? Waarom kiezen we juist een troosteloze tijd? Misschien komt dat voort uit het gegeven dat geluk het enige is dat zich vermeerdert als het wordt gedeeld. Van iemand anders gelukkig maken word je zelf nooit ongelukkig. We willen dan ook dat het toewensen van veel geluk aan elkaar ten volle afsteekt tegen al die misère die zich buiten afspeelt, dan valt het beter op.

Vanuit het wereldgedruis
stijgt het vuurwerkgeknal omhoog
de slechte geesten zijn gevlucht
de kwade gedachten zijn verdreven
 
Einen guten Rutsch...
tot in het nieuwe jaar
En, heeft iedereen ervan genoten? Want dit was het al weer. De laatste dag, de laatste avond. Van de stille week, zo tussen Kerst en Oudjaar. Het equivalent van de paasweek. Ook zo stil, maar om een andere reden. Met tussendoor een laatste briefje of e-mail, een vergeten telefoontje. Maar geen grote dingen meer. Deze week was er de bezinning, de rust van de bezinning. Morgen is het weer knal boem de hele dag en zondag moet iedereen naar de familie en maar wensen en wensen. Oma wensen, opa wensen, ome Paul wensen, tante Irene wensen, neef Gilbert wensen, buurman wensen, overbuurman wensen. Dat blijft maar doorgaan. Dus wie het deze week niet gedaan heeft, zal het voorlopig niet meer doen. Het beschouwen, het naar binnen kijken. Over het afgelopen jaar nadenken en een beetje evalueren. Goed? Minder? Slecht? Niet alles toch? Soms ook wel heel goed. Vooral in het begin. En net na de zomervakantie. Dan had je weer zin. Als je zo naar een jaar kijkt, met de diverse cycli die elkaar opvolgen, dan zit er een logisch verband in. Het een kan niet zonder het ander. Dat is het evenwicht, de balans. Daar kijken we deze afgelopen week op terug. En er is altijd nog een grote troost voor als het mislukt is. Volgend jaar kun je het opnieuw proberen.

Een ingewikkeld soort genoegen overkomt mij altijd bij het bladeren in fotomagazines die op elke hotelkamer te vinden zijn. Zelfs tot in de duurste en meest exclusieve hotels ter wereld. Ze zijn dan in een wat duurdere uitvoering uitgewerkt en vormgegeven tot een boekwerk. Over het algemeen dragen deze periodieken een vertederende naam, zoals Bienvenido, Welcome, Willkommen, Bienvenue. De verzameling artikelen die erin te vinden is, heeft de bedoeling licht onderhoudend te zijn.
Het zijn gidsen over de stad waar men op dat ogenblik verblijft, met allemaal schijnbaar nuttige adressen erin opgenomen. In de eerste minuten van mijn verblijf in die nog vreemde hotelkamer, in dat nog onbekende hotel, in die uitheemse stad, sta ik direct in zo’n tijdschrift te bladeren op zoek naar foto’s van wat ik straks moet gaan zien. Foto’s van zaken waarvan ik op voorhand thuis al wist dat ik ze zou gaan bekijken om ze zelf te fotograferen. Een rare gang van zaken, nietwaar? Dus roep ik al na drie of vier pagina’s bladerwerk uit: nee, nee, nee! Ik stop het tijdschrift vervolgens eerst in een lade - die altijd te vinden zijn op hotelkamers -, haal het er dan weer uit en stop het heel diep weg in mijn ‘bureaukoffer’. Later, eenmaal thuis, zal ik het daar als bij toeval terugvinden en blij zijn met de ontdekking. Ik zal blij zijn omdat ik enkele van mijn eigen foto’s bij een vergelijk toch spannender vind dan die in het magazine; ik zal kwaad worden omdat ik achteraf constateer dat ik op een aantal plaatsen niet ben geweest, plaatsen die mij prachtige beelden zouden hebben opgebracht en ik zal blij vervuld worden van de gedachte dat ik bijgevolg binnenkort weer terug zal moeten gaan om die missende foto’s vooralsnog te maken. Eind goed al goed en het tijdschrift mag op de grote stapel oud papier. Niet eerder.
Laatst kwam Norbert Peeters als gastdocent bij de cursus Ontwerpen met Beplanting. Hij vertelde over de wonderlijke wereld van de verspreiding van plantenzaden over de wereld en alle technieken die de plant daarbij verkregen had van moeder natuur. De meest ingenieuze middelen liet hij ons zien, in powerpoint-beeld of in fysieke toestand op zijn tafel. Het bleek dat veel planten, althans hun zaden, in staat zijn tot het overbruggen van grote afstanden, over zeeën en oceanen, gebergten en woestijnen, om zelfs tot in andere continenten te geraken en daar te ontkiemen. Hij vertelde over Darwin en Malthus; hij vertelde over Agassiz en von Humbolt. Hij vertelde over autochrie en anemochorie, over de Javaanse vliegende komkommer en het Zeehart. En hij kan vertellen, warm en intelligent, met die rustige stem en die kalme zekerheid die kennis je geeft. Uit al die verhalen bleek echter dat geen plant ter plaatse wil blijven, maar zoekt naar een nieuw territorium. Net zoals de vogels dat doen, dacht ik nog terugdenkend aan mijn biologielerares, die daar ademloos over kon vertellen. Dus bestaat er niet zoiets als inheems, en is de zin van een heemtuin volkomen absurd. Je raadt het al, er volgde een stevige discussie, met voor en tegens. Met veel vragen en twijfels. Een pit die kleeft aan een vogelsnavel en meegevoerd wordt is natuur, maar een weggegooid klokhuis is biotoopvervalsing.
Ik moest in elk geval denken aan al die cijfers en feiten waar wij elke dag weer mee opgezadeld worden, over de gemiddelden en de normalen. De getallen en de waarden. Het is drie graden warmer dan normaal. Het is het koudste jaar van de eeuw (en we gaan nog maar naar 2017). Alsof de natuur enkel en alleen netjes geregeld wenst te zijn. Alsof die stilstaat bij zulke details. Neen, natuur is dynamiek en beweging, vogeltrek en emigratie, massabeweging en vernietiging, verspreiding en verovering. Voortdurende beweging en verandering. Geen gesloten deuren dus, of muren, of grenzen. Laat ons er een voorbeeld aan nemen.
Midden in de ligusterhaag zat een winterkoninkje. Het was een heel gewone ligusterhaag en een heel gewoon winterkoninkje. Het was een Troglodytes troglodytes, een klein gedrongen vogeltje van ongeveer tien centimeter met een opgewipt staartje. Roodbruin, op de rug donkerder dan op de buik. Als je goed keek zag je zijn lichte wenkbrauwstreep, of verbeeldde ik me dat nou in de snelheid. Want prroetsch, weg hipte hij al weer, een paar takjes hogerop. Hij keek me strak aan, met een warmbruin oogje, van opzij, dan, het hoofdje snel draaiend, met het andere oogje. Een voor een, alsof hij wou checken of ze wel hetzelfde beeld gaven. Het leek of er traantjes aan zijn oogjes hingen, wat niet kon want vogeltjes huilen niet, dacht ik nog.
De ligusterhaag was al tamelijk oud, een beetje kaal aan de onderkant hetgeen voor de vogels juist fijn was want dan konden ze er zo invliegen. Daarbinnen zaten ze veilig beschut en kon niemand ze zien, behalve de poes natuurlijk want die ziet alles. Het was een Ligustrum vulgare, een doodgewone liguster zoals die in boerentuinen en volkstuintjes wordt gebruikt. De schrik van de tuinbourgeoisie zeg maar, want die houden alleen van beukenhaag en taxus. Maar winterkoninkjes niet, die kiezen de struik waar de meeste insecten in te vinden zijn, spinnetjes vooral. Bovenaan was de haag mooi volgroeid, alhoewel je dat nu in de wintermaanden niet goed zag want alle blaadjes hingen wat slapjes naar beneden van de kou. Hier en daar zaten blauwzwarte besjes voor de merels, daar waar van de zomer de witte bloemtrosjes hadden gezeten die niet waren afgesnoeid door de tuinbezitter, want recht is recht.
Het vogeltje keek me lang aan, alsof het nadacht. Heel persoonlijk en privé, niet zoals de meeste andere vogels die zo doods zijn in de ogen. Zijn ze daarom misschien een paar jaar geleden als vogel van het jaar gekozen, dacht ik? Ik wilde hem teken geven om te feliciteren met die prijs. Stom, want die vogels weten niets van een prijs, en hij flitste alweer weg, dieper de haag in en achterlangs eruit.
Want het was maar een doodgewoon winterkoninkje midden in een doodgewone ligusterhaag.
In de kamer ruikt het naar dennennaalden en de zware geur van gebraden wild komt uit de keuken. De ruimte is gevuld met muziek, met het Weinachts Oratorium van Bach. Het is kerst.
Het koor zingt:
Dass dieses schwache Knäbelein
Soll unser Trost und Freude sein
Alle noten van dit oratorium zijn gekonfijt met een laagje weemoed, over dat wat nog komen moet en Bach pas in de Matthäus zal openbaren. Al weten wij het al wel, hoe het verhaal eindigt.
Nu is het pas Kerstmis, en dat hoor je, want Bach lijkt niet in staat om de dramatiek van het verhaal te exposeren, niet zoals hij het bij Pasen zal laten klinken. En toch is deze ganse muziek vervult van een droeve bestemming, met een hang naar hoop.
Zo klinkt het ook in een aria:
Erleucht auch meine finistre Sinnen
En de solisten zingen iets later tegen elkaar: ach wanneer zal de tijd eindelijk aanbreken, wanneer komt dan de troost?
Maar dan antwoordt een andere soliste:
Schweigt, er ist schon würklich hier!
Dat is pas hoop geven, wat Bach daar doet, met dat ene enkele zinnetje. We moeten niet zo zeuren, het is er allemaal al, we moeten het alleen zien.
De overbuurvrouw stapte met voorzichtige passen door haar voortuin. In de rechterhand een snoeischaar, in de linkerhand enkele geknipte takjes. Ze was duidelijk op zoek naar elementen voor een kerststukje of een kerstkrans. Ze nam telkens grote stappen door haar voeten één voor één tussen de planten te plaatsen. Bukken, kijken, opstaan. Kijken, bukken, knippen, opstaan. Knippen, laten vallen, bukken, opstaan. In een onregelmatig ritme. De hand werd te vol, ze kon de takjes niet goed meer vasthouden en besloot te stoppen en terug te keren. Dat zag je aan haar houding. Nog eenmaal keek ze rond, in een laatste grote boog, de planten en struiken evaluerend voor een allerlaatste knip. Neen, niets kon haar verder de tuin inlokken, ze had duidelijk de nodige ingrediënten voor haar creatie. Terug naar binnen.
Deze onschuldige beweging, hoe klein dan ook, is waarschijnlijk de doeltreffendste manier om weer even in contact te staan met de tuin. De rode bessen van de hulst en de taxus, de wintergroene blaadjes, de krullerige takjes van de hazelaar, de winterbloemen. Alles wordt door het oog betast en met de blik onderzocht. Onbewust is de ronde in de tuin gedaan, zijn enkele zaken in het hoofd genoteerd om straks bij het heldere weer van januari aan te pakken. Nu snel naar binnen om in de huiskamer een vleugje van het wintergroen te brengen.
Het is niet alles donker zo vlak voor Kerstmis.