Een veel voorkomend tafereel in het Vlaamse verstedelijkte landschap: een bombastisch paneel met opschrift ‘al tien van de twaalf woningen verkocht’. Het fluo opschrift werd over een prachtige, driedimensionale presentatie van een appartementsgebouw in aanbouw geplakt. Opvallend: de impressie op het straatbord toont verhoudingsgewijs eenderde tuin. De rest van het beeld is ‘gebouw’ en een paradijselijk blauwe lucht met wolkjes.
 
Ik informeer bij de bouwpromotor naar de groenplannen. De aanbesteding is eenvoudig: zoveel m² lonicera, m² gazon, m² liguster. Geen specificaties omtrent de plantgrootte, het graszaadmengsel, de noodzakelijk grondverbetering... Zelf in te vullen? Of een zoektocht naar de goedkoopste en snelste oplossing?
 
In alle naïviteit hebben we even nagevraagd of een meer doordacht voorstel ook welkom was. Een voorstel mét bomen en met een gelaagde schikking van planten, variatie in onderhoudsextensieve plantensoorten, accentuering van de entreeruimtes, bomendreefjes van Amelanchier, integratie van kleurrijke nectarplanten, trotste Paulownia’s,… . Dit geschakeerde palet betekende slecht een kleine meerprijs van 1500€, zo werd berekend en meegedeeld. Tevergeefs. De voortuin werd gebanaliseerd tot het oorspronkelijke ‘idee’: een egaal vlak van 250m², van voorgevel tot straatlijn, miserabele loniceraplantjes. Een fris en glanzend blaadje, dat wel. Maar het duiveltje in mij zou niet treuren indien een hardnekkige lonicera-ziekte, in navolging van de huidige buxusmalaise, de kop opsteekt. Het zou de beeldkwaliteit van vele parken, pleinen en tuinen alvast ten goede komen.
 
Slimme projectontwikkelaars en architecten fleuren hun verkoopsbrochures graag op met bomen en groen, bijtjes en bloemen, bankjes en kuierende mensen (liefst moeders met buggy’s en rondborstige mannequins) om hun saaie schoendozen aan te kleden en te verkopen. Maar bij oplevering, wanneer alle verkoopsovereenkomsten getekend zijn, is dat verfrissende tuingeheel ver te zoeken. Dan tellen alleen de euro’s. En de nieuwe eigenaars, die een huis met oogstrelende boomkruinen dachten te krijgen, komen bedrogen uit.
 
Je buigt soms beter het hoofd als je voor werkzekerheid kiest. Maar de goede tuinier in ons krijgt dat moeilijk over zijn groene hart. Contra uniformisering en verloedering van de (semi-) openbare ruimte, moet de leuze blijven. Ja, meneer de ontwikkelaar, zelfs gras verdient een deskundige aanleg en met lonicera houdt het tuinverhaal heus niet op.
 
Ik blijf liever naïef.
 
Roeland Vranckx, Tuinarchitect
In de Dom van Padua (spreek uit als Padova) staat in een van de binnentuinen een boom, een Magnolia soulangiana uit 1810. Die boom is dus ouder dan België dacht ik en hij is nog wintergroen ook. Misschien kent u deze bomen met hun glimmende bladeren die wat op Ficus lijken, zij weerspiegelen het licht van de dag.
Alle pleinen voor de kerken zijn hier leeg, met enkel duiven die opvliegen omdat kleine meisjes van vijf of zes jaar in roze pakjes dwars over het plein willen rennen. Achter die meisjes lopen dan weer papa’s, want het zijn niet alleen de mama’s in Italië die een rol te vervullen hebben. Met name de jonge papa’s zijn heel actief en sleuren met wagentjes, tillen de dochtertjes op hun schouders terwijl ze voetballen met de zoontjes en lachen naar die mama’s. Net als in de film. Oh die Italianen toch…
Verder ben ik vreselijk jaloers op die Italianen die de kunst van het eten zo goed verstaan. Kleine fijne dingetjes, veel dingetjes maar allemaal klein en fijn. Beetje gebakken groenten, lichtgroene lange smalle courgette in lapjes uit de oven, trosjes licht gebakken paddenstoelen, tomaatjes als pareltjes, knoflooktenen in saus, verse vis uit de oven, wat vlees van de gril. Wat wilt u? Tortellini met basilicum. En daarna? Salade van de bar. En daarna? Gebakken vis. En daarna? Lamskoteletjes. En daarna? Teramisu…
Ik begin steeds meer op Petrarca te lijken...
Dit slaat natuurlijk alleen op mezelf, want heel Italië is al ontdekt, ik kan het alleen nog eens nalopen of het allemaal klopt wat de brochures, boeken, reisgidsen en het internet vertellen. Zoete ontbijtjes, de warm water thermen in de heuvels, een taal die in elk woord een halve roman verbergt, wegen die door en over het glooiend landschap voeren en cipressen die altijd in de verte blijven staan. Nog even door tot die bocht, dan nog even tot die volgende bocht…
En dan zijn er de villa’s... Wij noemen dat landgoederen of buitenplaatsen alsof het dingen zijn, maar daar zijn het oorden, aankondigingen van het paradijs, vermoedens van de ultieme elegantie die er in het leven kan bereikt worden. De Villa Gamberaia, de Villa Rotanda, de Villa Valsanzibio en al die andere. Wat een land, wat een cultuur. Ze zijn terecht wereldkampioen elegantie, die Italianen. Uitgetekende tuinen, serene dorpen, zwijgende landschappen.
Ook in het huis van Petrarca geweest, bovenop de heuvel. De man die al in 1336 de schoonheid van het landschap beschreef en er de dimensies ruimte en tijd aan toevoegde. In de kamer stond een beeldje van hem, gemaakt bij zijn leven, van een tevreden en wat dikbuikige man met een rond gezicht. Misschien ga je daar beter van schrijven.
Als de zomer niet bestond, hadden we hem moeten uitvinden. De tijd om even afstand te nemen, bij te laden, te reflecteren op gedane zaken. Tijd voor jezelf en elkaar, los van de dagelijkse beslommeringen. Genietend aan een vakantietafel, met culinaire geneugten of een gesprek ondereen. Je zoon, je dochter, je man, je vrouw, je moeder of vader, die zijn ineens belangrijker dan alle rest. Als je dan nog samen door een mooie tuin kunt wandelen op vakantie, dan doet al de rest er niet meer toe.
Het weblog gaat er ook even tussenuit en wenst alle lezers een mooie tijd. Dank aan alle trouwe lezers en nogmaals dank aan ieder die een bijdrage leverde: Bart, Marloes, Tom, Eveline, Jans, Eric, Adrienne, Ruud, Julia en Marjan. Goede zomertijd.
 
Dat de tuin vergankelijk is wist ik wel, maar dat mij dat juist zo aantrekt, daar ben ik me nooit zo bewust van geweest. Gek genoeg is het meeste van hetgeen wij mooi vinden juist heel tijdelijk van aard of karakter. Denk eens aan de zonsopgang of de zonsondergang, de herfstkleuren, de bloesems, de draaiende wolken in de lucht, het licht vlak voor een onweersbui. Pfff en weg alweer. Ook de geheimzinnige trek van de vogels vinden wij mooi, als teken van overgang van de seizoenen, de overvliegende V van de ganzen of de vluchtlijn van de kraanvogels.
Grote kunst bestaat uit afbeeldingen van dat vluchtige van een moment. Het is dikwijls niets anders dan de vastlegging van het voorbijgaande. De luchten van Salomon van Ruysdael en van Jacob van Ruisdael, lijken zich zo dadelijk te zullen oplossen in het zonlicht, de verstilde meisjes van Vermeer zullen over twee, drie ogenblikken hun stilzwijgen doorbreken als ze opstaan en met een gilletje uitroepen wat hun op dit moment nog zo fascineert.
Of de beroemde vingers op het schilderij ‘De schepping van Adam’ van Michelangelo in de Sixtijnse Kapel, die elkaar zo meteen zullen aanraken, de Zonnebloemen van Vincent Van Gogh die de indruk geven morgen verwelkt te zullen zijn. Het zijn allemaal meesterwerken die voor ons een glimp van de eeuwigheid bewaren. Denken wij. Want bewaren ze eigenlijk niet de eeuwigheid van een glimp?
Het is net als met de liedjes van Noël Coward. Het zijn juweeltjes, maar na drie minuten ben je ze alweer vergeten, tot je ze weken later opnieuw hoort en niet begrijpt hoe je het mooiste in de wereld ooit kon vergeten.
Het is de wereld van ‘A room with a view’.
Bij het woord verlangen dient men in gedachte te houden dat het element Tijd van groot belang is. Wat men ook over verlangen denkt of hoe men erover nadenkt, de tijd zal altijd een rol spelen. Verlangen naar dat wat voorbij is en dus naar vroeger, verlangen naar dat wat nog niet is en dus in de toekomst ligt. Men verlangt niet naar dat wat nu is of men nu heeft.
Verlangen dat niet bevredigd wordt zal groeien. Hoe langer het verlangen in de tijd bestaat, des te meer het in de beleving naar voor zal komen en des te groter het zal worden. Verlangen groeit alleen maar, neemt nooit af, tenzij het bevredigd is.
Er zijn sluimerende verlangens en heftige verlangens. Er zijn verlangens waar men zich niet van bewust is en verlangens die zo hevig worden dat ze zich omzetten in lust. Maar met lust is niet zo veel aan te vangen, lust is begeerte en dat mogen we niet verwarren met verlangen.
Lust is voor nu, lust zet al het andere opzij. Lust is er voor taart of snoep of seks. Voor een verlangen zet men de dagelijkse zaken niet opzij; die zal men eerst afhandelen om daarna toe te geven aan het verlangen.
Eerst eten en dan spelen. Eerst huiswerk maken en dan naar het park.
Verlangen is controle. Controle is ook onderhevig aan tijd.
Ik ga de hangmat ophangen, want ik verlang ernaar om lang in de tuin te blijven.
In de zomerse stilte van de avond de roos gesnoeid. Het is slechts een kleine struik maar de bezigheid heeft iets groots, iets dat de tijd overstijgt, alsof men zich in een andere eeuw waant.
Er zijn niet veel bezigheden die zulk een directe invloed hebben op het gemoed. De rust hangt in de tuin en iedere knip verrijkt de werking van de tijd. Net zoals toen Sam buiten in de tuin stond te knippen en hij door het open raam hoorde hoe Gandalf aan Meester Frodo het verhaal van de Ring vertelde.
Is het telkens opnieuw een unieke ervaring die men op zulke momenten meemaakt of speelt de herinnering van een vorige keer een hoofdrol en probeert men die opnieuw te beleven? Is de lucht zwanger van een voorbije tijd die zich nog een keer voordoet als een nieuweling, terwijl hij alleen maar vermomd als vreemdeling aanklopt in de hoop dat we hem snel zullen herkennen?
Zoete mijmering waar deze eerste zomeravonden zich zo goed voor lenen. In de verre verte hoor ik het geroezemoes van de drukte van de snelweg. Misschien mensen die al op vakantie vertrekken, op zoek naar ook zulk een herinnering; niet vanuit de tuin gegeven maar vanuit een vorige vakantie in de hoop dat ze die nog eens zullen meemaken, zichzelf opnieuw kunnen beleven zoals ze toen waren?
In Makeblijde te Houten, zijn nog een aantal bijzondere tuinen te vinden, van toen het nog als tuinarchitectuurcentrum bestond. Ik word er in het voorbijgaan telkens aangetrokken door de tuin van Frans van der Steen. Hij heeft onder enkele bestaande knotbomen een plankier aangebracht en daar een terras van flagstones voor gelegd. Aan een kant ligt een klein bloemenvak, welke enkele weken in het jaar bloeit. Een fascinerende schoonheid van eenvoudig. Hetgeen de Fransen een ‘ Jardin trouvé ’ noemen. Een gevonden tuin. Een tuin die er al lang is voor je hem hebt ontdekt en tastbaar maakt door iets concreets toe te voegen aan de bestaande wereld. Je hoeft de tuin slechts wakker te maken, lijkt het wel. Het heeft iets magisch.
Zo zag ik heb een foto van een plek in een bos, afgemaakt door enkele planken en daartussen een tafel en stoelen. Ik was sprakeloos van zoveel elegantie. Wondermooi. Alsof je door de wildernis loopt en plots op een plek komt die ‘goed’ of ‘juist’ voelt en besluit om daar te blijven. Wat misschien de cowboys in hun trek naar de Far West hebben meegemaakt: this is my home, dit ben ik.
Heel af en toe kun je zo een gevoel nog wel eens meemaken, als je bijvoorbeeld tijdens een vakantie wandelt in een gebied dat je nog niet kent. Je stopt even om uit te rusten en iets te drinken. Maar eigenlijk zou je willen blijven, voor altijd, omdat die plek iets aan vertelt, je iets laat voelen dat heel vertrouwd is. Ik heb een paar foto’s van zulke plekken die ik ben tegengekomen en het is eigenlijk heel mooi om te denken dat ik in de wereld enkele tuinen hebt, die eigenlijk van mij zijn.
Hij werd deze week verschillende keren genoemd en geciteerd, deze grote intellectueel, denker en schrijver. Die meer over tuinkunst wist dan wij vermoeden. Hier een citaat dat de intentie van het O’FEST goed weergeeft:
 
‘Wensen zijn voorgevoelens van hetgeen u in staat bent daadwerkelijk te realiseren’.
 
Johann Wolfgang Goethe (1749-1832)
Veel tijd om te schrijven is ons niet gegund deze week, het O'FEST slokt alle aandacht op.
Maar wat een verrijking van de geest. Wat een genot om al die kennis en al dat inzicht voorbij te horen komen. Straks alweer de laatste avond in de rij en die belooft ook weer heel bijzonder te worden.
Daarin zal de stelling worden besproken: 'De tuinkunst dient zich meer te spiegelen aan de ontwikkeling in de kunsten, dan aan het eigen historisch perspectief.'
Er zullen een zestal sprekers op reageren, waarna een paneldiscussie losbarst. Onderling tussen de sprekers, maar ook met het publiek. De twee dagvoorzitsters zullen er hun handen vol aan hebben.
Zie ik jullie daar vanavond? In Apeldoorn, juist. In het ACEC ja, maar dat wist je al.
Het ACEC gebouw waar |het ontwerp instituut| vertoeft, werd gisteren gevuld met een levendige en optimistische sfeer. Tegelijk vond De Ontwerptafel plaats met een twaalftal deelnemers, en het atelier van Jacqueline van der Kloet, waar een tiental geselecteerde ontwerpers aan deelnemen. Heerlijk om te zien hoe intensief het er aan toeging en tussendoor iedereen in een creatieve sfeer met elkaar omging. Zomaar eventjes vijfentwintig tuinontwerpers tezamen aan het werk. Dat is waar we het allemaal voor doen, dat zijn de mooie momenten.
Vandaag het symposium De Laatste Tuin. We wensen Laura Knoops en Leonie Brinks alle succes met hun dagvoorzitterschap.
Uit mijn inleiding bij de opening van het O'FEST:
 
'... blijft de tuin en de wereld van de tuin een onbekende. Men gaat deze, om hem toch vorm te geven en te verconcretiseren, ‘na maken’ van de beelden die men kent. Men gaat kopiëren en niet op zoek naar zijn ware betekenis.
Daardoor ontstaat een merkwaardige vorm van tuinkunst, die meestal een imitatie is van een imitatie. Een imitatie in het kwadraat, losstaand van de originele reden van bestaan. Hoogstens is er een verwijzing naar een natuurvorm.
In vroegere tuinen uit de Renaissance of de Barok, zelfs in de landschapstuinen, zag men de natuur nog als getemd of georganiseerd, de mens als heerser en bepaler over het wilde en losbandige van de natuur en dus van het leven.
Als een uiting van de menselijke zoektocht zichzelf te positioneren in de wereld.
Nu zijn die gesnoeide vormen of gecultiveerde onderdelen in de tuin slechts een pastiche, een navolging van de huidige standaard, ten dienste van een burgerlijke moraal van angstloze platheid.
Jacques Brel zou ervan huiveren en het kapot zingen. Hij zou Don Quichote eropuit sturen om die inhoudsloze tuinmolens te bestrijden....'
Alhoewel de wereld al zo lang bestaat en er al miljarden en miljarden bladeren zijn gekomen aan de bomen, zijn er nog nooit twee bladeren hetzelfde geweest.
Alhoewel er al zoveel weken en dagen en uren zijn voorbijgegaan sinds de wereld bestaat zijn er nog nooit twee uren, twee minuten of twee seconden hetzelfde geweest.
Alhoewel er nu 7.510.835.918 mensen aan het leven zijn en de wereld er al zoveel miljarden en miljarden heeft gekend, sinds de menssoort is ontstaan, zijn er nog nooit twee mensen hetzelfde geweest.
Ik denk dat ik de rest van mijn leven nodig heb om dat goed te begrijpen.
Nou staat er op de website van het O’FEST een stelling, waarop je JA of NEEN kunt antwoorden. Over tuinkunst. Dat die zich meer moet spiegelen aan de ontwikkeling in de kunsten. In plaats van aan de eigen geschiedenis.
Daar ben ik het in principe wel mee eens. Jullie? Ik heb al gestemd. We leven trouwens toch al in de tijd en de wereld van het stemmen en de gevolgen van het stemmen. In Amerika zitten ze met de miserie van hun stemmen en nu in het VK ook al. In Frankrijk hebben ze goed gestemd, denk ik toch, hoopvol en positief. En die gaan zondag alweer stemmen. Krijgen er geen genoeg van. En de Duitsers binnenkort. En dan nu wij. Maar bij ons is het makkelijker, voor kunst of voor geschiedenis. Ik weet het. Er is veel kunst en er zijn verschillende soorten kunst. Zit je altijd goed. Van de geschiedenis is er maar één. Diegene die wij denken te begrijpen. Dat is dus minder spannend. O’FEST dus.
Midden op het zebrapad zat een ekster. Het was een heel gewoon zebrapad en een heel gewone ekster. Een Pica Pica, zwart en wit gekleurd met een metaalachtige gloed en blauw en groen op de vleugels. Als je goed keek zag je ook wat bronsgroen op de staart en op het uiteinde roodpaars, of verbeeldde ik me dat maar?
Hij hield de kop schuin om me aan te kijken en wachtte brutaal af of ik de durf had over te steken. Wat zou ik doen? Blijven staan en kijken of langzaam naar hem toelopen? Dat wist de ekster niet.
Het zebrapad bestond uit regelmatige vlakken dikke straatverf van een vaalwitte kleur, die omkaderd werden door het zwart van het asfalt. Soms zag je ze ook wel eens in het geel die strepen, maar dat was meestal in het buitenland. Deze was wit. Vaalwit met zwarte remstrepen van het rubber van autobanden er dwars overheen. Het rook hier eigenaardig, of niet? Aan de overkant van de straat stopte het zebrapad abrupt. Het was onduidelijk waarom hier nou een zebrapad was aangelegd. Er was niets te zien aan die kant van de weg, geen winkel, geen school, geen hospitaal. Een troosteloos voetpad naar een haag van een tuin. Meer niet.
De ekster bewoog met een huppig sprongetje zoals alleen eksters dat kunnen. Elegant en boven de materie verheven. Hij krijste schrapend. Durf maar eens, leek hij uit te dagen. Ik wilde een geruststellende beweging maken met de hand, dat het goed was, dat ik niets van plan was, maar zag daar toch vanaf. Hij zou me immers niet begrijpen.
Het was een heel gewone ekster op een heel gewoon zebrapad.
Elke tuinontwerper, of aanverwante geest, maakt elke dag wel iets mee waar hij of zij even over nadenkt. Een overpeinzing die men zich vormt, een beschouwing, een reflectie. Waarom zou toch…? Heb ik nou echt gezien dat…? Wat gebeurt er als men niet…? …? …?
Die kleine momenten zijn het, die de geest vormen en ons creatief en eigen-aardig laten kijken naar de wereld. En aangezien er dagelijks meer en meer lezers schijnen te zijn van dit weblog, is het goed om ook jouw gedachten en reflecties eens te verwoorden en hier neer te zetten. Ter inspiratie van de anderen, die je niet kent, maar op die manier jou een beetje leren kennen. Stuur ons een stukje en we plaatsen het hier, net zoals die van je collega’s.