Het O'FEST komt er nu snel aan. Op 12 juni vindt de startavond plaats en dan gaat het een week lang over tuinontwerp en het werk van tuinontwerpers.
Wist je dat er in totaal 71 sprekers zullen meewerken die week? Allemaal mensen die over een bepaald aspect van het tuinontwerp komen vertellen. Theoretisch, beschouwend of praktisch verhalend.
Het wordt een nooit geziene samenwerking daar in Apeldoorn. Mooi toch?
 
Het was een van de drukste weken van het jaar tot nu toe, met wel twintig verschillende soorten zaken op het programma. Dat is heel verfrissend en spannend maar het is tegelijk ook afmattend, want hetgeen je niet elke dag doet eist weer een andere concentratie en een andere spanning en verwachting van die spanning.
Er gebeurde mij tussendoor iets heel vreemds. Ik bukte me om iets op te rapen en moest plots aan iemand denken die ik gekend heb en al jaren geleden is overleden. Zij was weer heel dichtbij in mijn gedachten. Ik zocht koortsachtig naar de reden of de aanleiding waarom ik zo opeens weer aan haar dacht, maar kon geen aanleiding vinden. Niets dat me terug voerde, geen enkele associatie van kleur of geluid.
Zo maar opeens zag ik je terug, luidt de titel van een liedje dat ik eens schreef voor een toneelstuk. Dit was ook zoiets, maar dan anders. Zoals ik het hier nu opschrijf, zonder te weten waarom. Misschien omdat iedereen wel eens van die momenten heeft? Zo maar opeens.
Zoals nu.
In de barokmuziek gaat iedere noot en elke klank over de tijd en de draagbaarheid van de tijd. Draagzaamheid is nog mooier maar dat woord bestaat niet. Het lijkt wel of men in die periode in een andere dimensie van tijd leefde. Alsof mensen bij alles meer beschouwden wat ze deden terwijl ze het deden. Het doet denken aan de toneelteksten van Shakespeare, waarin de personages een reflectie over hun eigen daden of gedachten geven terwijl ze die beleven. Zo wordt Julia in de vroege ochtenduren wakker en zegt tegen Romeo, haar jonge minnaar:
Wilt thou be gone? it is not yet near day:
It was the nightingale, and not the lark,
That pierced the fearful hollow of thine ear;
Nightly she sings on yon pomegranate-tree:
Believe me, love, it was the nightingale.
 
Waarop Romeo haar antwoordt:
It was the lark, the herald of the morn,
No nightingale: look, love, what envious streaks
Do lace the severing clouds in yonder east:
Night's candles are burnt out, and jocund day
Stands tiptoe on the misty mountain tops.
I must be gone and live, or stay and die.
 
Wie zegt nu nog zoiets?
Wij zouden wakker worden en roepen:
Shit! Het is al vijf uur, ik moet weg!

Er is in de eerste plaats ‘het doel’ stellen, de ambitie oproepen, het plan durven denken, welk nog nooit door iemand bedacht is. Een puur geestelijk werk.
Dan is er ‘het maken’, het bouwen en het realiseren. Een fysiek aspect welk altijd al onderdeel heeft uitgemaakt van de tuinenwereld en er onlosmakelijk mee verbonden is.
Vervolgens is er ‘de bekendmaking en verspreiding’ van het plan, van de gedachte, van het project, op een zodanige wijze dat het grondidee goed vertegenwoordigd wordt, maar tegelijk ook veel mensen aangesproken worden en het plan tot een succes uitgroeit.
Ten vierde is er ‘de feeling’ voor het positieve dat men bereikt heeft en dat de motor zal vormen voor alweer een nieuw project dat zal volgen. Hoe doet men dat? Hoe zijn de succesvollen erin geslaagd dit vol te houden en door te zetten?
 
De 8 – met als thema ‘Gevangen’, van het 8ste festival
Nienke Plantinga,
Angelique Nossent ,
Sjaak Willemstein,
Laura Knoops,
Jan-Hein Moors,
Connie Ettema,
Caroline Thomas,
Evelien Beukema.
 
Vraag aan u, publiek, om zo te kijken. Niet naar het mooie, niet naar het bekende, maar naar …
Vanochtend vond ik een vleugelnootje tussen mijn haren. Van een iep. Uit het Vondelpark. Gisteravond helemaal meegereisd naar huis. Slim vleugelnootje.
In die forse wind die over het land trok waren we met een 15-tal mensen op excursie in de tuinen van het Rijksmuseum en in het Vondelpark in Amsterdam. Een heerlijkheid. Net zoals in Beesd, maar dat is met Hoofdletter.
Nog los van de lekkere koffie in het Concertgebouw waar we afspraken en de verzorgde lunch in Vondepark3 – met een ouderwets soepje in een stalen potje - en nog afgezien van de boeiende inhoud van Hans Homburg en kennis van Sanne Horn, werd de genoeglijke dag vooral bepaald door de collectieve bezieling van de groep deelnemers, bestaande uit collega’s, vakgenoten en enthousiastelingen. De uitwisseling van gedachten, de blik van verstandhouding, de reflectie op ervaringen.
Vrijdag 2 juni is er weer zo’n dag, dan naar Leiden. De Hortus en het Sieboldhuis. Met Norbert Peeters als gids. En met collega’s en enthousiastelingen. Ik kijk er al naar uit. Wie gaat mee?

De buizerd viel als een schaduw uit de lucht, als een geweldige zwaartekracht naar beneden, daar rechts, vijftig meter voor de auto. Ik zag de gele klauwen gekromd vooruit steken, de vleugels naar achteren alsof hij zich op een prooi wou storten. Heel even meende ik zijn donshaartjes te zien wapperen in de luchtstroom. Omdat ik met hoge snelheid reed kwam ik snel dichterbij en zag toen dat hij zich zo meteen op een prikkeldraad zou storten waar al een andere buizerd op hem zat te wachten. Geweld kan ook een verborgen liefde zijn.
 
De kraaien wapperden traag met hun grote vleugels die er uitgedund uitzagen, met de uiteinden omhoog gekruld, wat povertjes voor zulke felle vogels. Was dit nou een teken van armoedigheid of van verlatenheid? Ze gleden en glooiden door de lucht, als acrobaten overal doorheen en tussendoor, alsof ze niet geïnteresseerd waren in de wereld maar slechts in hun eigen spel. Maar ik wist wel dat ik geen stukje kaas zou moeten laten vallen want dat ze het gezien zouden hebben. Gelukkig had ik geen stukje kaas.
 
De blauwe reiger was niet te verstoren. Met trage vleugelslag kwam hij van links, over de uiterwaarden van de IJssel aangevlogen. Ik vermoedde achter het wilgenbos de rivier, maar kon het water niet zien. De vogel had iets in de smalle bek geklemd, een tak? Een vis? Waar naartoe was hij onderweg? Ik ging naar huis en hij dus ook, meer kon ik niet bedenken. Gelijkvormigheid schept een band.
 
De spreeuw botste bijna knalhard tegen de vooruit en ik remde, idioot die ik was. Gelukkig kwam er niet veel verkeer uit Zutphen achter me aan en zag niemand mijn domme reactie. Want voor mijn remlichten konden opflikkeren was het beestje al weer weggevlogen en liet slechts een goedkoop blinkende waas achter op mijn netvlies. Honderden spikkeltjes die verschoten van kleur en een veel te stompe bek. Brutale oogjes. Als ze met zijn drie miljoen waren geweest had mijn auto geen schijn van kans gehad.
 
Op een paaltje voor de knotwilgen opzij van de weg, zat een meeuw, ik dacht een kleine mantelmeeuw. Wat deed die hier zo ver van de zee? ’t Is een vreemdeling zeker? Die hoort hier niet. Hoor ik hier wel, in de auto, rijdend op de weg vanuit Zutphen? Vreemdelingen onder elkaar spreken niet.
Wie ooit een terril beklimt, krijgt iets meer voeling met de omvang van de mijnbouw van weleer, zijnde: gewoon niet te vatten. Op een van de vele terrils die het Duitse Ruhrgebied rijk is, Halde Haniel in Bottrop, werd in 2002 ‘Totems’ neergezet, een installatie van de Spaans-Baskische schilder, beeldhouwer en land art-kunstenaar Agustín Ibarrola. De installatie bestaat uit 105 geschilderde rechtopstaande bielzen, afkomstig uit de steenkoolmijn van Prosper-Haniel en wil de verbinding maken tussen de schijnbare tegengestelden industriële ruimte en natuur. Het beeld van deze compositie van krachtobjecten op dit zwarte plateau, uittorenend boven een oneindige groene vlakte zorgt voor een erg bevreemdende ervaring, een soort gevoel van buitenaardsheid en zelfs nederigheid. Geen enkel individu zal kunnen weerstaan aan de innerlijke stilte die deze plek oproept, neen, ook de mountainbiker niet. Hij mag in dit openluchtmuseum vervolgens wel nog heerlijk downhillen ... wat een belevenis!
 
Bart Coene
 
Een van de onderdelen van het O’FEST is De Ontwerptafel, waar een groep van 6 ontwerpers aan elkaar een ontwerpprobleem voorlegt, met als doel elkaar te helpen anders te kijken naar een opgave. Want hoe groots men ook kan denken, altijd is er een punt waar een soort tunnelvisie begint en men als ontwerper niet meer alle mogelijkheden ziet. Maar dan plots, door een opmerking van een ander, een woord wat die of gene zei, opent zich een nieuw perspectief en kan men verder. Allemaal onder leiding van ontwerpsters Irene en Jolanda.
 
Maar een belangrijk onderdeel, waar minder over gesproken wordt, dat zijn de toehoorders die er omheen zitten. Die volgen alles, maar mogen alleen maar luisteren. Dat is eigenlijk leren volgens de socratische methode, waarin luisteren even belangrijk is als praten.
 
Zo onderzoeken we een scala van mogelijkheden bij |het ontwerp instituut|, zodat je kunt leren welke het beste bij jou past. Doe mee, op dinsdagochtend 13 juni 2017.
Juist, de teerling is geworpen. Het programma van het O’FEST is klaar. Staat. Onuitwisbaar. Als een fijn raderwerkje van een Zwitsers horloge zit het in elkaar. In dit geval een Hollandse ontwerpschets, maar dat bij manier van spreken. Want die wil wel, maar kan niet en die kan plots weer niet, waardoor diegene geen betekenis meer heeft, dus moet eerst die andere gevraagd worden, maar die is op vakantie. De spanning van het samenstellen en puzzelen en passen en meten, voor elk wat wils en toch nog betaalbaar… Dat is gebeurd.
Nu fase twee. Het vertellen. Zodat iedereen het weet en kan beslissen. Of men komt, welke dag, oh maar dat is ook leuk. Ik zou wel alle dagen willen...
Maak zelf je eigen keuze, op www.ofest.nl begint het hele programma te verschijnen. Elke dag een beetje meer.
 
 
“Ik keerde naar de meidoorn terug als naar een kunstwerk waarvan men meent dat men het beter ziet als men er een ogenblik niet naar gekeken heeft, maar het gaf niet of ik mijn ogen met mijn handen afschermde om niets anders te zien,
het gevoel dat ze in mij opwekten bleef onbestemd en vaag, trachtte vergeefs zich los te maken en met de bloemen te verbinden.[…]”
 
Uit Marcel Proust Op zoek naar de verloren tijd, De kant van Swann
 
 
Bloeiende meidoorns in Normandië
Voor de ontwerptafel op dinsdagochtend 13 juni kunnen zich nog twee ‘ontwerpers’ melden die een werkstuk op tafel willen leggen ter discussie. En vooral ter oplossing. We zoeken geen moeilijke of unieke opdrachten, maar juist de doorsnee opdracht van een tuin, waar toch ook telkens bepaalde punten in zitten die een ontwerper voor een keuze stellen. Onderzoek ze samen met Jolanda Vreeken en Irene Visser die de bijeenkomst zullen leiden.
Opgave als toehoorder is niet meer mogelijk, daar alle plaatsen voor diegene die in stilte het geheel zullen volgen reeds bezet zijn. Zelfde adres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
De mensen zullen zeggen dat de genoeglijke tuin er eentje is voor de genieter, voor de luiaard. Niets is minder waar.
Het woord genoeglijk moet in dit verband eerder geassocieerd worden met de zintuigen, die ons in staat stellen in contact te treden met de wereld die ons omringt. We kijken, we ruiken, we proeven, we horen en voelen. Via al deze kanalen ontvangen wij prikkels uit de tuin, die ons bevestigen in ons aardse wezen.
Het geheim van deze tuin zit in het begrijpen van het woord genoeglijk, hetgeen letterlijk betekent ‘genoegen verschaffend’. Genoeglijk niet zo zeer in de zin van bevredigend maar in de zin van verstrooiend, aangenaam, plezierig.
Niet overdreven maar wel aanwezig. We kijken graag rond in de tuin, naar de kleuren en structuren. We horen vogels, water en wind. We proeven van het fruit of een kruid, of ruiken de barbecue, we strelen over de natuurstenen tafel en voelen de warmte die de ruwe steen uitstraalt. Het zijn aangename voldoeningen. Maar de genoeglijke tuin gaat nog een stapje verder. Dat doet hij door de geest ook als een zintuig te beschouwen en ons op dat gebied bescheiden te stimuleren. Deze tuin verschaft ons namelijk het genoegen om onszelf te beschouwen, doordat wij in deze tuin iets hebben aangebracht of toegevoegd wat ons als persoon of als familie vertegenwoordigt. Iets om opnieuw te beleven of te herinneren, zeker met als omgeving een levende tuin. Het bevestigt daarmee ons bestaan.
Ja, kijk nog maar eens en wrijf in de ogen. Maar je ziet het goed. Bomen die vastgeknoopt zijn, gevangen in zichzelf. Verwondering en vervreemding, dat is het minste wat men kan zeggen van de nieuwe festivaltuinen van Appeltern waar op dit moment de laatste hand aan wordt gelegd. Over twee weken is de realisatie klaar van deze extravagante werelden, bedacht door een aantal ontwerpers. Gevangen is het thema.
Op dit beeld, dat een klein tipje van de sluier oplicht en een inkijkje geeft, is een deeltje te zien van hetgeen Angelique Nossent heeft bedacht. Zaterdag 20 mei is de opening, zorg dat je er bij bent. Over het hek klimmen, tunnel graven, valse baard opplakken, politie-uniform aandoen, alles mag, als je er maar bij bent.
 
 
Gisteren was het in Nederland dodenherdenking.
Waarom is het toch zo, dat de dood zulke mooie ruimtes oplevert? Alle begraafplaatsen of gedenkplekken zijn prachtig vormgegeven, net alsof wij pas bij het denken aan de dood een zin voor schoonheid krijgen. Zo gauw de sereniteit aan bod is komt onze esthetiek om de hoek kijken en eist haar aandacht op. Prachtig, daar niet van, maar waarom alleen daar? Ooit een mooi benzinestation gezien? Ik niet. Of een mooi voetbalstadion? Bijna niet. Of schoolplein, of industrieterrein?
Op rondreis door Vlaanderen kwam ik op de begraafplaats Langemark terecht, waar 44.000 Duitse soldaten liggen begraven gesneuveld, in de Eerste Wereldoorlog. De meeste niet geïdentificeerd. Grote eikenbomen die schaduw werpen, een grasveld, grijze stenen blokken met duizenden namen, een rij knotwilgen als erewacht. Het poortgebouw dat aan een bunker van rode steen doet denken is binnenin bekleed met houten panelen met daarop duizenden namen. Hans, Heinrich, Erich, Wolf, Ludwig, Rudolf en de anderen. Er schijnen bijna 3.000 studenten onder hen te zijn, gestorven voor Duitsland, in het slijk van Vlaanderen. In plaats van in hun houten lessenaars op de universiteit te zijn blijven zitten, om te studeren.
Men wordt daar heel stil en klein van, bij het denken aan die vergeten doden, die nutteloze dood en die nutteloze oorlog. Hoe anders zou Europa er nu hebben uitgezien als dat allemaal niet had plaatsgevonden.
Met de herdenking gisteren moest ik weer even aan ze denken, en aan die mooie begraafplaats van ontwerper Robert Tischler. Gelukkig was het slechts twee minuten stilte, anders zou ik te emotioneel geworden zijn.